Emotie speelt cruciale rol bij rationeel besluit

Mensen met een defect in een deel van de hersenen dat belangrijk is voor emoties nemen makkelijker rationele, maar afschuwelijke beslissingen.

Het is oorlog, en je zit ondergedoken in een kelder. Vijandelijke soldaten doorzoeken alle huizen met de opdracht iedereen te doden. Je hoort ze dichterbij komen. Dan begint je pasgeboren baby te huilen. Je smoort het gegil met je hand. Om jezelf en je medevluchtelingen van de dood te redden, moet je je baby zo lang smoren dat hij stikt.

Doe je dat?

De meeste mensen zouden het niet doen, of er lang over twijfelen. Terwijl het rationeel gezien beter is dat je vele mensenlevens redt ten koste van eentje. Maar naast ratio spelen emoties een belangrijke rol bij het nemen van morele beslissingen.

Dat lieten de Amerikaanse hersenonderzoeker Antonio Damasio en zijn collega’s gisteren zien in het vakblad Nature (online). Mensen die door een hersendefect weinig emoties voelden, namen hardere beslissingen, zo stelden ze vast.

Damasio geniet wereldwijde erkenning om zijn inzichten in de biologische basis van emoties in het brein, en die van bewustzijn, taal en geheugen. Zijn werk heeft onder meer laten zien dat emoties een belangrijke rol spelen bij het nemen van beslissingen. Hij heeft aangetoond dat mensen juist dankzij emoties in staat zijn om ook in onzekere of onbekende situaties knopen door te hakken. Zuiver rationeel denken maakt in zulke situaties besluiteloos.

Neuropsychologen vermoeden daarom dat er bij het nemen van beslissingen een glijdende schaal bestaat van zuiver verstandelijke beslissingen naar puur emotionele, afhankelijk van de omstandigheden. Het nieuwe onderzoek in Nature sterkt dit vermoeden.

Aan het onderzoek deden dertig mannen en vrouwen mee. Zes van hen hadden een hersendefect aan de onderkant van hun voorhoofdskwab. Dat gebied, de ventromediale prefrontale hersenschors, is belangrijk bij het beleven van emoties. Vooral sociale emoties, zoals schaamte, medeleven, of schuldgevoel, voelden deze mensen nauwelijks. De andere deelnemers hadden een hersendefect in een hersengebied dat niet met emotie te maken had, of geen defect.

De onderzoekers legden de deelnemers fictieve situaties voor. Sommige plaatsten hen voor een persoonlijk moreel dilemma (‘Zou je iemand die toevallig naast je staat van een brug duwen om een trein te stoppen die anders vijf mensen zal overrijden?’), andere voor een onpersoonlijk moreel dilemma (‘Zou je een wissel omzetten om een voortdenderende trein niet vijf, maar slechts een persoon te laten overrijden?’). Er waren ook niet-morele dilemma’s.

Bij dilemma’s waar gevoel en verstand sterk conflicteren, namen de ‘emotieloze’ mensen vaker dan de anderen een beslissing die goed was voor het algemeen belang, al hield die beslissing in dat ze iets goedkeurden dat normale mensen met afschuw vervult.

Toch was de moraal niet helemaal verdwenen bij die patiënten. Wanneer de gevoelsmatige beslissing niet sterk conflicteerde met de logische, kwamen hun antwoorden overeen met die van de andere deelnemers (Bijvoorbeeld bij: ‘Zou je als ongewenst zwangere van vijftien na de geboorte je baby in een vuilnisvat dumpen om overal van af te zijn?’). Ook bij de niet-morele en de onpersoonlijke scenario’s waren deelnemers eensluidend in hun beslissingen.