Dieren scheppen niet meer verplichtingen dan wij willen

Waarom spannen schrijvers, denkers en journalisten zich in voor de rechten van het dier, maar gaan tegelijkertijd zoveel stemmen op om de rechten van onaangepaste burgers te beperken?

Redacteur NRC Handelsblad

Fluisterend sloop hij naar ze toe, probeerde hun vacht te strelen, huilde over hun tegenslagen en juichte bij hun successen. Tot één van hen hem voorgoed de mond snoerde.

Timothy Treadwell was een Amerikaanse drop-out wiens leven en dood als eco-strijder voor beren indringend werd verfilmd door Werner Herzog in Grizzly Man (2005). Treadwell, na een moeizame adolescentie in de grote stad uitgeweken naar de natuurparken van Alaska, filmde en bestudeerde de beesten niet alleen, hij praatte ook tegen ‘zijn’ beren, als een smachtende berenfluisteraar, kroop op ellebogen en knieën door het gras om dichtbij ze te zijn, en raapte hun uitwerpselen op om de organische warmte ervan te voelen („Dit is in haar geweest, echt in haar!”)

Hij gaf de dieren ook – als Adam in het paradijs – namen. Er was de gezellige bruinhuid ‘Meneer Chocola’, de reusachtige ‘Hulk’, er waren ‘Windy’, ‘Comer’, ‘Hefty’ en ‘Holly’; en er was natuurlijk een hele enge, en die heette ‘Demon’. Het is onzeker of het deze sikkeneurige grizzly was of een andere die Treadwell en zijn partner Amie Huguenard in oktober 2003 uit hun tent trok en aan stukken scheurde. Geen ‘9/11’, maar toch. Treadwells dood werd vastgelegd op het recordertje waarop hij liefkozende commentaren over de beren placht in te spreken – en tirades tegen de parkwachters – tijdens zijn voettochten door het Katmai National Park.

Hier had de mens, het animal rationale (Aristoteles), het beestachtige verkozen boven de rede. Hoewel je ook kunt zeggen dat het nicht festgestellte Tier (Nietzsche) hier het beste van twee werelden had willen hebben: een engelachtig beest worden.

De dood van het ecologisch verantwoorde paar was gefundenes Fressen voor jagers en andere masculiene realisten over de natuur, die in Treadwell een typisch softe dromer zagen, zo eentje die niet weet hoe de hazen in het wild lopen. Beesten, net als barbaren, laten zich niet temmen door ongediplomeerde sjamanen.

Psychologen en critici legden Treadwells hunkering naar de fysieke en mentale nabijheid van dieren op hun beurt uit als een ernstig geval van nostalgie de la boue, de uitwijkstrategie van een man die mislukt is in het moderne leven en die zijn affectieve tekort projecteert op lager geplaatste zoogdieren. Ook die analyse had een politieke kant: Treadwell gaf dus meer om zijn eigen beeld van dieren dan om mensen, zoals ook revolutionairen en maatschappijhervormers eerder verknocht zijn aan hun grootse ideeën dan aan het menselijke materiaal waarmee die helaas moeten worden uitgevoerd.

En toch. Treadwell mag dan een een ecologische zonderling zijn geweest, een linkse sentimentalist, of een ex-alcoholist die berenpoep wilde voelen om érgens houvast aan te hebben, maar zijn inzet voor de beesten, en de manier waarop hij in de media uitbaatte, wijst ook op een bredere affectieve verschuiving tussen de soorten. Wat Treadwell, maar ook talloze anderen, naar de dierenwereld trekt, is de hoop op ongecorrumpeerde waarheid en echtheid, buiten de benauwende beperkingen van de beschaving.

Daar hadden we ooit een ander rolmodel voor, nog niet zo lang geleden – maar dat kan om verschillende redenen geen dienst meer doen. Dieren hebben de ‘nobele wilde’ ingehaald als belichaming van ons betere zelf.

Dat ging niet zonder slag of stoot. Rousseau geldt als de filosoof die in de achttiende eeuw de nobele wilde, gemodelleerd naar de Amerikaanse Indianen, in de markt heeft gezet als een menstype dat niet was bedorven door de beschaving (tussen ironietekens), maar dat ongeremd in harmonie leefde met de voedende natuur. Ze hadden geen cultuur, geen politiek en geen georganiseerde religie, maar dat maakte hen niet tot mindere maar juist tot bétere mensen. John Lennon (Imagine) zong drie eeuwen later nog de lof van dit idee van een toekomstig of juist prehistorisch Utopia, niet aangeraakt door de moderne wereld.

Rousseau heeft veel kritiek gekregen op zijn romantisering van de ongetemde wilde, die door de amusementsindustrie van Hollywoord nog steeds eindeloos wordt gerecycled en herzien (Walt Disney versus Mel Gibson). Maar het waren vooral de Britse, Franse en andere antropologen uit de negentiende eeuw die het idee van de nobele wilde na Darwin exploiteerden in een op evolutionaire verschillen gebaseerde hiërarchie van mensenrassen. Zwarte Afrikanen stonden daarin het dichtst bij de dieren, lichter gekleurde Indiërs kwamen in de buurt van het blanke ras, dat uiteraard de kroon op de schepping vormde. De nobele wilde werd tegelijkertijd object van eindeloze wetenschappelijke en populaire fascinatie – een ten dode opgeschreven restant van ons evolutionaire verleden – als van diepe afschuw: het waren tenslotte zulke barbaren die blanke kolonisten het leven zuur maakten in het Amerikaanse westen, of in Zuid-Afrika.

Aan het begin van de 21ste eeuw is de rol van die nobele wilde nagenoeg uitgespeeld. Eerst werd dat idee van een fijnzinnige Kaspar Hauser, die serenades fluitend door de wildernis jogt, al aan de kaak gesteld door linkse critici van het kolonialisme. Indianen waren óók mensen, geen nobele wilden. De volgende hoek kwam van rechts. Sinds 11 september 2001 zijn we allemaal wereldwijze realisten geworden zijn die spijkerhard zeggen wat ze denken en weer trots ‘durven’ zijn op hun eigen cultuur.

Een overmatige interesse voor ándermans cultuur, vooral als die uit de Oriënt of Afrika komt, geldt al snel als achterhaald multiculturalisme, als verdachte xenofilie, een uiting van zelfhaat of, nog erger, van cultuurrelativisme (een al bijna even hol scheldwoord als ‘fascist’ in de jaren tachtig was). Die afslag heeft ook een politiek-demografische oorzaak: opeens zijn de rollen omgekeerd en dreigen zij (moslims, Afrikanen, Polen, buitenlanders in het algemeen) ons te ‘koloniseren’, zoals opgewonden aanjagers van het angstvisioen ‘Eurabia’ nu wel verkondigen.

Ook die heetgebakerde verdedigers van onze cultuur zetten zich af tegen het idee van de nobele wilde, maar dan vooral om allochtonen onbezwaard te kunnen bestempelen als louter ‘wild’ (of achterlijk, primitief, irrationeel, wraakzuchtig, et cetera). Met één uitzondering, maar die ‘ebonieten’ nobele wilde met wie we de afgelopen jaren zo wegliepen, als een moderne prinses Pocahontas, is inmiddels zelf alweer naar Amerika vertrokken. En de boodschap die haar onmiskenbare noblesse gaf, luidde niet voor niets: jullie hebben gelijk, jullie cultuur is écht de beste.

Wat dan? Waar moet ons idealisme zich dán aan hechten, nu we allemaal realisten zijn geworden en de nobele wilde heeft afgedaan omdat die zijn vuilniszakken van het balkon gooit, in God blijft geloven en zijn dochters met hoofddoekjes over straat laat gaan?

Het antwoord zou voor de hand kunnen liggen: kom van de verlichte Olympus, stroop de mouwen op en begin te timmeren aan een solide samenleving met die niet meer zo nobele ‘wilden’, omdat ze inderdaad volwaardige medeburgers moeten worden, ook al passen ze dan niet op het procrustesbed van de enkelvoudige loyaliteit. Alleen, die onderneming is riskant (je weet niet of het goed afloopt), én schept verplichtingen.

Gelukkig zijn er nog de dieren.

Wezens tegenover wie we ons superieur kunnen voelen, zonder noemenswaardig risico, en tot wie we een verhouding kunnen zoeken zonder ons af te vragen hoe ze zich in godsnaam tot óns verhouden.

En zo volgt een nieuwe affectieve uitruil. Terwijl de buitenlanders die wij sinds kort ‘niet-westerse allochtonen’ zijn gaan noemen, buiten de moderne orde worden geplaatst (bijvoorbeeld omdat ze ‘de morele waarheid’ niet erkennen, zoals een VVD-notitie een paar jaar geleden vaststelde) en in de eerste plaats worden gezien als materiaal voor integrale bewerking, zijn onze vrienden de dieren aan een onstuitbare opmars begonnen. Terwijl liberale jihadisten ervoor pleiten de grondrechten voor sommige groepen op te schorten, stroomt de grachtengordel leeg achter de Partij voor de Dieren, en lopen schrijvers en filosofen zich het vuur uit de sloffen voor dierenrechten en varkens.

Je zou bijna denken dat die woeste imam, op een manier die hij niet bedoelde, gelijk had met zijn observatie dat de ongelovigen „dichterbij de varkens staan dan bij de moslims”.

Dieren hebben óók cultuur, en gelukkig geen ‘achterlijke’ (want ze kunnen er zelf tóch niets aan doen). Zij zijn festgestellte Tiere – vrij van politiek, religie en controversen. En daarom houden we van ze – ook al beantwoorden ze die affectie soms met een moorddadige berenklauw.