De rampenvariant van het CPB

Veel geciteerd, maar wie zei het ook alweer: ‘De dollar is onze munt, en jullie probleem’? Het was John Conally, minister van Financiën onder de Amerikaanse president Nixon en een archetypische Texaanse hardliner. Conally deed zijn beroemde uitspraak toen de dollar begin jaren zeventig snel aan waarde verloor en de Amerikaanse regering uiteindelijk de koppeling tussen goud en dollar moest opgeven.

Sindsdien wordt de zinsnede telkens aangehaald als de Amerikaanse munt verzwakt. Niet zonder reden: voor een Amerikaan daalt of valt de dollar helemaal niet, het zijn de andere munten die van tijd tot tijd gek doen. Wim Duisenberg, de voormalige president van de Europese Centrale Bank, werd het tijdens zijn ambtsperiode zat om telkens vragen te moeten beantwoorden over de wisselkoers van de toen nog jonge euro. Hij riposteerde met: „Een euro is een euro”, om te tonen dat Europeanen hetzelfde met hun munt om moesten gaan als de VS. De euro daalt of valt niet, het is de dollar die beweegt.

Het is de vraag of die zienswijze ooit zal beklijven. De dollar blijft voorlopig wel de ankermunt van het internationale financiële systeem, en is de maat aller dingen. Gisteren en vanmorgen bereikte de munt met een waarde van 1,34 dollar per euro zijn laagste koers sinds begin 2005. Nu de markt voorzichtig begint in te calculeren dat de eerstvolgende rentestap van de Amerikaanse centrale bank er een omlaag zal zijn, en de Europese Centrale Bank nog verder omhooggaat, loopt het renteverschil tussen de VS en de eurozone verder terug. En dat kan leiden tot een verzwakking van de dollar.

Hoe erg dat wordt weet niemand, maar het Centraal Planbureau dat eergisteren zijn jongste prognoses voor de Nederlandse economie doorrekende, maakte een aparte calculatie voor de dalende dollar. Opvallend zijn de koersen waarmee het CPB rekent: in plaats van een koers van 1,30 dollar per euro, wordt in het scenario gerekend met 1,40 in 2007 en 1,50 in 2008. Dat is lager dan de laagste koers ooit (1,45), die bereikt werd in de lente van 1995.

Dramatisch zijn de uitkomsten van het CPB-model in dit geval niet: de economische groei wordt in 2008 0,2 procentpunt lager, en zal dus eerder 2,5 procent bedragen in plaats van de nu geraamde 2,75 procent. Maar welke calamiteit is er voor nodig om de dollar naar 1,50 per euro te sturen? Daar kan het model geen rekening mee gaan houden. Maar dat ‘we’ onder die omstandigheden een probleem hebben met ‘hun’ munt, daarin zal Conally nog steeds gelijk hebben.

Maarten Schinkel