Bellen

Toen ik laatst iemand opbelde, gebeurde er iets merkwaardigs.

Er kwam weliswaar een verbinding tot stand, maar het bleef even onduidelijk of de ander mij ook kon horen. Die ander was Bob, een schuilvoornaam die ik hem geef omdat hij het misschien niet prettig vindt dat hij in dit stukje voorkomt. De meeste mensen willen alleen in stukjes voorkomen als ze uitbundig geprezen worden – een diep menselijk trekje, waar je als stukjesschrijver rekening mee moet houden, vind ik.

Bob is een verre kennis die ik alleen opbel als me opeens te binnenschiet dat ik hem al in geen tijden meer heb opgebeld. Omgekeerd werkt het ook zo, en het zou me dan ook niets verbazen als het eerstvolgende telefoontje van hem of mij onbeantwoord zal blijven omdat de mobiele telefonie nog niet tot in graf of urn reikt.

„Bob?”, vroeg ik weer, toen ik na tien seconden nog niets gehoord had.

„Ja.”

Het klonk afgeknepen.

„Frits hier.”

„Ja.”

Weer viel er een stilte. Toen zei hij: „Wacht even.” Zijn stem klonk tegelijk helder én hol, alsof hij helemaal alleen in een geluidsdichte ruimte zat. Bob werkt op een groot kantoor, waar mensen op de achtergrond altijd dingen naar elkaar roepen die me soms nieuwsgieriger maken dan Bobs eigen teksten.

Ik legde thuis de voeten op mijn bureau (afgekeken van acteurs die journalisten spelen in Amerikaanse speelfilms) en wachtte geduldig af. Af en toe hoorde ik schuivende geluiden, vermoedelijk van schoenen over een vloer, maar er was ook een vaag geritsel hoorbaar dat ik niet goed kon thuisbrengen.

„Bob?”, vroeg ik weer.

Ik werd een beetje bezorgd omdat hij zich misschien in een benarde situatie bevond waar hij geen mededelingen over kon doen. Een gijzeling? Een ontvoering? Een overval? Je denkt in deze gevaarlijke tijden al gauw aan het ergste. Als dat het geval was, zou er voor mij een leuk stukje inzitten, besefte ik, maar die gedachte zette ik meteen met grote morele verontwaardiging van me af. Beroepsdeformatie, bah.

„Nog heel even.” Bob zei het bijna met een zucht van bevrijding, alsof hij zich met veel moeite had verlost van een grote last en op het punt stond de wereld weer onbezwaard tegemoet te treden vanuit zijn stolp van stilte.

Toen hoorde ik opeens dat geluidje waarover zelden gesproken wordt, maar dat we allemaal uit honderdduizenden, ja miljoenen, wat zeg ik, miljarden geluiden herkennen: het geklepper van een closetrolhouder. Het is een licht, niet onvriendelijk geluid waarmee we van jongs af zó vertrouwd zijn geraakt dat het ons niet meer opvalt. Het hoort bij ons leven, zoals water uit een kraan en de kuch uit je keel. Het dient opgenomen te worden in het Mondiale Archief voor Onsterfelijke Geluiden – als dat er ooit komt

„Haast je niet”, zei ik.

Hij kon dat niet verstaan hebben, want er stak opeens een storm van geluid op, als van een waterval. Ik hoorde een deur opengaan en dichtslaan.

„Ben je daar nog?”, vroeg Bob.

Ik slikte nog net op tijd de vraag in of hij zijn handen had gewassen. Het ging mij niet aan – ik was zijn gesprekspartner, niet zijn mobieltje. Gelukkig maar.