Alleen genie kan zonder regels

Ik kom uit een familie van hondentrainers. Ik heb mij altijd verbaasd over de analogieën tussen de manier waarop honden afgericht worden en hoe werknemers binnen een organisatie getraind worden. Je kunt in beide gevallen spreken van een domesticatieproces: zoals een dier geacht wordt zich te conformeren aan het leven in een huishouden, zo wordt de medewerker door allerlei trainingen, testen en psychologische assessments geacht zich te conformeren aan het kapitalistische systeem waarin hij functioneert. Net als het dier vergroot de mens daardoor zijn kansen op overleving binnen een bepaald systeem.

Al die trainingen zie ik als een vorm van fitness. In het verleden was het voldoende als mensen gewoon hun contractuele verplichtingen nakwamen. Tegenwoordig verwachten organisaties van hun medewerkers ook dat ze enthousiast en betrokken zijn. Trainingen draaien steeds vaker uit op pogingen de ziel van medewerkers te enthousiasmeren. Ook dat is een vorm van africhten: de organisatie als een geheel van kwispelstaartende en kritiekloze medewerkers. In zekere zin is dit logisch, want een organisatie wil groepsvorming en sociale cohesie graag zoveel mogelijk zelf in de hand houden.

Domesticatie is een voortdurende strijd tegen impulsen. Ik mag als hoogleraar niet op basis van mijn persoonlijke voorkeuren een voldoende of een onvoldoende geven. Een gemeenteambtenaar mag eigenlijk niet weigeren homoseksuele koppels te trouwen. Zijn persoonlijke opvatting hierover dient tot bedaren worden gebracht. De functionaris moet als het ware zijn persoonlijkheid intomen om goed te kunnen functioneren. Dat is een bureaucratische vereiste. Ik zie organisaties als behoorlijk repressieve systemen waarin een constant verlangen ontstaat naar sterke mensen die eruit kunnen breken. We duiden hen aan als geniale mensen of leiders. Het gaat om personen die eerder op hun instinct vertrouwen dan op hun verstand en die juist daardoor anderen uit het moeras van de bureaucratische vertwijfeling weten te trekken. De hedendaagse leiderschapscultus is een irrationeel antwoord op die vertwijfeling. De leider moet charismatisch, visionair en scheppend zijn. Er bestaat een religieus vocabulaire om mensen te beschrijven die ons helpen uit het moeras te ontsnappen. Maar die mensen beschikken vaak over eigenschappen die vanuit het oogpunt van de organisatie onwenselijk zijn: daar moet je je houden aan de regels. Genialiteit onttrekt zich altijd aan regels.

Enerzijds is het fijn wanneer een leider met visie opstaat. Anderzijds is zo iemand alleen maar leuk wanneer je de visie deelt – anders kun je alleen maar hopen dat die leider getemd wordt. Daar hebben we dus bureaucratieën voor. De bureaucratie is het middel bij uitstek om mensen te beschermen tegen de ongetemde visionair. De verbureaucratiseerde EU kan worden opgevat als een reactie op de visionaire leiderschapsexperimenten van de eerste helft van de twintigste eeuw. Organisaties en instituties spelen altijd een spannend spel van temmen en loslaten.

René ten Bos is hoogleraar filosofie en organisatiekunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen.