‘Zonder sneeuw overleven we niet’ ‘Wij maken een wellnesscentrum met wijntherapie’

De opwarming van het klimaat gaat de Zwitserse wintersportoorden miljoenen kosten. Hetzij aan inkomstenderving, hetzij aan investeringen in alternatieven.

Deze week valt er wat sneeuw in de Alpen, eindelijk, maar de meeste toeristen zijn al weg. Begin maart waaide er nog een venijnige wind. Het regende. En waar je ook keek in de omtrek: modder.

Alleen als je het hoofd flink in de nek legt, zie je, op bergtoppen, wat sneeuw. Nu is het zelfs zónder sneeuw geen straf om in het pittoreske dorpje Rougemont rond te lopen, met zijn elfde-eeuwse kerk en houten huizen waarvan de gevels door eigenaars en architecten zijn volgeschreven met biografische en bijbelteksten. Maar feit blijft: daar kom je als toerist ’s winters niet voor in Berner Oberland.

„Toeristen willen skiën”, beaamt Jean-Pierre Urweider. Hij exploiteert de plaatselijke skilift ‘La Videmanette’ en is hoofd van het toerismebureau van Rougemont. Urweider is somber over de toekomst van zijn station, dat vooral mikt op welvarende wintersporters. Deze winter, zegt Urweider, was tot dusver catastrofaal. Rougemont ligt op 1.000 meter. De lift gaat tot 2.200 meter. „Met Kerst maakten de toeristen wandeltochten, stepten ze op gras en sleeden ze op wieltjes. Leuk, voor een keertje. Maar als de winters volgend jaar en het jaar daarop weer warm zijn, denken de mensen: ‘We gaan ergens anders heen.’ Ik houd mijn hart vast voor de toekomst.”

Urweider is de enige niet. De laatste paar maanden zijn er maar liefst twee gezaghebbende rapporten verschenen – een van de OESO, de club van 30 rijke industrielanden in Parijs, en een van de universiteit van Bern – die voorspellen dat de Zwitserse ski-industrie het moeilijk krijgt. Uit het OESO-rapport blijkt dat de temperatuur in de Alpen driemaal zo snel stijgt als elders. Gletsjers smelten daardoor alarmerend snel en de sneeuwval in lager gelegen gebieden vermindert. Als het gemiddeld één graad warmer wordt, valt er 10 procent minder sneeuw in Zwitserland – die wordt immers regen. Bij een temperatuurstijging van vier graden wordt de helft van alle pistes die nu ‘betrouwbaar’ zijn (100 dagen skiën per jaar), ónbetrouwbaar. De sneeuwgrens komt almaar hoger te liggen. Dat nekt vooral de pistes in het westen en midden van het land. De een na de ander zal moeten sluiten. Alleen hoge pistes lijden nauwelijks onder de klimaatveranderingen.

Zwitserland komt er nog genadig af, vergeleken met Oostenrijk, Frankrijk, Italië en Duitsland, waar relatief meer laaggelegen pistes zijn. Toch is voor het nationale toerismebureau onderzoek naar de gevolgen van klimaatveranderingen in 2007 „topprioriteit”.

Vervolg MODDER: pagina 16

MODDER

ACHTERGROND: HOE ZWITSERSE WINTERSPORTOORDEN DE KLIMAATVERANDERING TE LIJF GAAN

‘Wij maken een wellnesscentrum met wijntherapie’

Vervolg van pagina 1

Zojuist is daar, vertelt Véronique Kanel van Tourisme Suisse in Bern, een werkgroep opgericht om zich over deze problematiek te buigen.

Volgens Hansruedi Müller van het universitaire toerisme-instituut in Bern doen ze daar goed aan. Ook hij deed afgelopen jaar, op verzoek van negen prominente skioorden in het Berner Oberland, onderzoek naar de economische gevolgen van klimaatveranderingen. In zijn rapport staat dat het in de Alpen in 2030 ’s winters maximaal 1,8 graden en ’s zomers maximaal 2,6 graden warmer zal zijn dan nu. „De toerismesector”, concludeert hij, „moet zich aanpassen.” Volgens Müller moeten wintersportoorden die lager liggen dan 1.500 meter aan andere inkomstenbronnen gaan denken. Anders is de kans volgens hem reëel dat hotels in 2030 gemiddeld 25 procent minder gasten hebben en skiliften 35 procent minder skipassen verkopen. Dat kan per jaar 120 miljoen euro aan inkomsten schelen. In een land dat de helft van zijn toerisme-inkomsten uit de wintersport haalt (7,5 miljard euro van de 15 miljard euro), kan de klap hard aankomen. Meer dan 300.000 mensen werken fulltime in het toerisme. Alpendorpen zijn voor 70 tot 80 procent afhankelijk van het winterseizoen. Rougemont haalt volgens Urweider zelfs 85 procent van zijn inkomsten uit de wintersport.

Wie deze winter in de Alpen was, zou denken dat dit scenario niet voor 2030 geldt, maar voor nu. Krokussen bloeiden. De wereldkampioenschappen skiën in Wengen werden deels afgelast. Honderden freelance liftbediendes die per dag worden betaald, vroegen compensatie aan bij de overheid. In januari kwam de winter even op gang, maar februari was warm.

En toch. Eind jaren tachtig waren er maar liefst drie kwakkelwinters achter elkaar. Toen al verschenen er alarmerende studies over de toekomst van de wintersport. En eind jaren negentig waren de winters juist koud en wit. Die van 1999 was volgens sommige meteorologen zelfs de strengste van de eeuw. „Het is dus nog niet te zeggen of de warmte dit jaar aan het weer ligt, dat gewoon een jaartje grillig doet, of aan structurele klimaatveranderingen”, relativeert Casimir Platzer, eigenaar van het Victoria Ritter Hotel in Kanderberg, in Berner Oberland.

Platzer, voorzitter van de vereniging van hoteleigenaren in het kanton Bern, vergadert zich suf over het onderwerp. „Misschien zou niemand veel aandacht aan de rapporten hebben besteed als Zwitserland de hele winter bedekt was geweest met minstens een meter sneeuw”, zegt hij. „Maar nu kon niemand om de boodschap heen.” Het goede daarvan, zegt hij, is dat mensen nadenken over de toekomst en zich voorbereiden op wat er mogelijk komt. Tegelijkertijd waarschuwt hij voor te veel paniek. Zwitserse hotels zaten tussen november en januari voller dan vorig jaar. Voor de komende winter komen de reserveringen alweer binnen.

Maar in Kanderberg komt maar eenderde van de toeristen om echt te skiën. De rest langlauft of wandelt. Daarmee is het dorp minder kwetsbaar dan veel andere Zwitserse wintersportoorden. Het is zelfs een voorbeeld voor anderen, die hun best doen om hun afhankelijkheid van sneeuw en kou te verminderen. Want als er één woord furore maakt in Zwitserse toerismekringen, dan is het wel ‘diversificatie’. Om te kunnen overleven, is de gedachte, moeten stations toeristen andere attracties bieden dan skipistes alleen.

Overal in de bergen zie je dan ook wellness centers en kuuroorden verrijzen. Er worden wandelweken georganiseerd voor speciale doelgroepen als homo’s of oudere vrouwen, stepwedstrijden op gras, theaterfestivals, enzovoort. Ook doen bergdorpen hun best om ’s zomers meer toeristen te trekken met kanotochten, nordic walking, fietsroutes of openluchtconcerten.

Maar diversifiëren kent grenzen. Olivier Bovet, hoofd van het toerismebureau van Château-d’Oex, vlakbij Rougemont, heeft de hele winter met sneeuwkanonnen moeten werken om de pistes open te houden. Daardoor hoefde de hoogste piste van het dorp, op 1.800 meter, niet dicht. Maar omdat een strookje sneeuw op een groen-bruine helling niet bijster uitnodigend is (zeker als je er niet eens op mag lopen, want schoenen kunnen het minieme witte laagje kapotmaken), spendeerden veel toeristen in het hoogseizoen een deel van de dag beneden in het dorp. „Voor die mensen moet je ineens wat bedenken”, zegt Bovet. „En voor hun kinderen helemaal. Gelukkig hebben we een ijsbaan, een overdekt zwembad, een bowlingbaan, een kaasmakerij. We krijgen binnenkort ook een wellnesscentrum dat met wijntherapie werkt.”

Vanuit het dal bij Château-d’Oex kun je zelfs een tochtje met een luchtballon maken – tenminste, als je er 250 euro voor over hebt. Elk jaar worden hier in januari internationale ballonvaart-wedstrijden gehouden. Maar in miezerig winterweer krijgt dit dorp iets intriests. Het oude centrum is verwoest door branden, dus zelfs bij goed weer verdient Château-d’Oex geen schoonheidsprijs. Doorweekte toeristen schieten met hoofd tussen de schouders een café in – voor ballonvaarten die met dit weer toch niet gehouden worden, zijn ze niet gekomen. „Dat”, zegt Bovet, „is het probleem met diversificatie: een bowlingbaan en ballonvaarten zijn leuk, maar alleen als er óók sneeuw is. IJsbanen heb je ook in Nederland, daarvoor hoef je niet naar Château-d’Oex. We hebben sneeuw nodig om te kunnen overleven, punt.”

Dus blijft hij het maken. Maar sneeuw maken is duur: volgens Eric Balet van Televerbier kost een nieuwe installatie al gauw tot 300.000 euro per kilometer. Wil het systeem goed werken, dan moet het zo koud mogelijk zijn. Daarbij komen nog de kosten van het water, die reusachtig zijn. Zo investeert Jungfrau Railways (die spoorlijnen en skiliften rond Interlaken exploiteert) de komende twee jaar 3 miljoen euro in water. Dat is eenderde van alle investeringen van het bedrijf in infrastructuur.

Andere oorden worden op extra kosten gejaagd doordat pilaren van skiliften onbetrouwbaar worden: ze zijn destijds verankerd in permanent bevroren grond – maar die begint plotseling te ontdooien. Hooggelegen dorpen die aan de voet van gletsjers liggen, tasten diep in de buidel om het ijs ’s zomers met plastic te bedekken. Het smelten wordt er niet door gestopt, maar wel vertraagd. En één dorp heeft ineens zoveel last van lawines en steenval, dat het juist flink moet investeren om de toegangsweg tot het dorp veilig en begaanbaar te houden. In de gemeenteraad woeden felle debatten over belastingverhoging.

„Ik zit twintig jaar in het toerisme”, zegt Jean-Pierre Urweider van de skilift in Rougemont, „maar ik heb de mensen hier nog nooit zo nerveus gezien. Natuurlijk overleven we, dat hebben we altijd gedaan. Maar eigenlijk weet niemand wat hij moet doen. Bizar hè. We hebben de middelen, de technische snufjes die onze voorouders niet hadden. Maar uiteindelijk zijn we net zo afhankelijk van de natuur als zij. We zitten allemaal de hele tijd naar de lucht te kijken. En ik vrees dat we daar de komende jaren niet vrolijker van worden.”