‘Twaalf gedode criminelen’ waren toch ‘terroristen’

Het Tunesische moslim- fundamentalisme wordt met geweld onderdrukt. Maar naar buiten toe wil de regering de indruk wekken dat Tunesië een modern, liberaal land is met respect voor mensenrechten.

Bij botsingen tussen moslimextremisten en de Tunesische veiligheidsdiensten rond de jaarwisseling vielen bij Tunis doden – zeker zestig volgens de Franse krant Le Parisien, ten minste twintig aldus westerse nieuwsagentschappen en Al-Jazeera-tv.

Het geweld baarde opzien, want het regime in Tunis gaat prat op de interne politieke stabiliteit en een resoluut pro-westerse moderniseringskoers. De regering bagatelliseerde de zaak: twaalf „criminelen” waren gedood. Pas midden vorige maand gaf zij toe, via de geheel door het regime gecontroleerde media, dat het om ‘terroristen’ ging, die vanuit Algerije de grens over waren geglipt. Maar de veiligheidsdiensten hadden, aldus de minister van Binnenlandse Zaken, in één klap het hele netwerk opgerold, inclusief explosieven, plattegronden van westerse ambassades en foto’s van diplomaten. Daarmee was de kous af.

„Er zijn in Tunesië wel radicale moslimgroeperingen van eigen bodem, en sommige hebben wapens en ook banden met gelijksoortige groeperingen in Algerije en met terreurorganisaties als Al-Qaeda”, zegt Asma Drisi (35), journaliste bij de Franstalige staatskrant La Presse. Die radicale oppositie krijgt niet de kans om de aanhang te mobiliseren of aan het politieke leven deel te nemen. „Zelfs de zich vrij gematigd opstellende islamitische partij Ennahda blijft verboden.”

Volgens Drisi stelt het politieke programma van de fundamentalisten niet veel voor. „Ze hebben geen overtuigend maatschappelijk project. Ze beweren de moderniseringen die het regime doorvoerde niet te willen afschaffen – zoals de sinds 1956 fel verbeterde positie van de vrouw die in het onafhankelijke Tunesië het recht kreeg op echtscheiding en op abortus. Maar ze zeggen ook dat onze samenleving islamitisch is en islamitisch bestuurd moet worden. Wat wil dat concreet zeggen? En wat doen zij als zij hier, zoals het FIS in Algerije in 1992, de meerderheid halen bij verkiezingen? Malen zij veel om democratie en mensenrechten? Ik heb daar als progressieve vrouw maar weinig vertrouwen in.”

Door de repressie is volgens Drisi het debat verschraald. De islamitische en de linkse oppositie slagen er alleen in enkele dorre slogans te verspreiden en eindeloos te herhalen, en gaan zo al snel lijken op de RCD, de machtspartij.

„En intussen speelt het eigenlijke debat zich noodgedwongen buiten de politiek af, in de zeer actieve filmclubs bijvoorbeeld. In honderden van dergelijke clubs ontmoeten cineasten, schrijvers, studenten, cinefielen en politieke activisten elkaar en daar wordt letterlijk over alles gedebatteerd”, aldus Drisi.

Het is ook geen toeval dat Drisi bij La Presse vooral als criticus werkt: „In mijn recensies van films en toneel kan ik mij journalistiek uitleven. Bij het overige werk moet ik op mijn woorden passen, en dan nog worden veel stukken weggecensureerd door de hoofdredacteur.”

Sinds de staatsgreep van 1987, toen de huidige president zijn voorganger Habib Bourguiba, die het land van bij de onafhankelijkheid in 1956 als een verlicht despoot had geleid om ‘gezondheidsredenen’ opzij schoof, is Tunesië officieel bezig met een liberalisering. Kort na het aantreden van Ben Ali mochten ook leden van de verboden islamitische partij Ennahda aan verkiezingen meedoen als onafhankelijke kandidaten. Maar die politieke opening duurde niet lang. De ‘onafhankelijken’ wonnen meteen veel zetels, zoveel zelfs dat Ben Ali zich als alleenheerser ernstig bedreigd voelde en in het tegenoffensief ging. Honderden aanhangers van Ennahda werden opgepakt en tot jaren gevangenisstraf veroordeeld, officieel wegens ‘een complot om de president te vermoorden’. De meesten bleven meer dan twaalf jaar opgesloten.

Ali Larayedh (52) is de vroegere woordvoerder van Ennahda. Hij spreekt af op de trappen van het Nationaal Theater – ik word toch geschaduwd, zegt hij laconiek. „Ennahda is een beweging die probeert de moderne waarden en onze religieuze traditie met elkaar te verzoenen. Wij zijn modern en gematigd, en willen ons niet afzetten tegen de huidige samenleving. Wij verwelkomen de moderniseringen die zijn doorgevoerd. Maar we vinden dat dat niet moet leiden tot een breuk met onze traditionele waarden. Ennahda staat niet op voet van oorlog met het regime, al worden wij nog altijd in de illegaliteit gedrukt.”

„Ik ben in 1987 ter dood veroordeeld. Ben Ali heeft dat vonnis na de machtsgreep omgezet in levenslange gevangenisstraf, en hij heeft me na anderhalf jaar vrijgelaten en vervolgens weer opgesloten”, vertelt Larayedh met een diepe zucht. Hij kwam twee jaar geleden vrij.

Dit vormt de essentie van de Tunesische politiek: moslimfundamentalisten worden met geweld onderdrukt, terwijl naar de buitenwereld de indruk wordt gegeven dat het land heel liberaal is, ook wat de mensenrechten en politieke vrijheden betreft, en dat alles onder controle is. Na de aanslagen van 11 september 2001 in de VS is die aanpak alleen maar verscherpt. Het Westen stelt minder vragen over respect voor mensenrechten.

Wat betreft het geweld rond de jaarwisseling wil het regime de indruk geven dat ‘islamitische terreur’ wordt bestreden, maar verder moet het gevaar zo snel mogelijk de doofpot in. Extremisme kan besmettelijk zijn en is slecht voor toerisme. Een parlementair debat of een uitleg over wat het onderzoek naar de incidenten oplevert, zal er dan ook niet komen.