Koken met Jim

Jim is Tijns beste vriend. Elke maandag speelt en eet hij bij ons, en omdat hij dat al drie jaar doet beschouwen we hem als volwaardig lid van het gezin. Dat betekent niet alleen dezelfde privileges als Tijn en Pep (om half zes televisie kijken, kus op je geschaafde knie), maar ook dezelfde plichten (jas aan de kapstok hangen, eten wat er op je bordje ligt). Nu heeft Jim met dat eerste weinig moeite, maar met het laatste des te meer. Niet dat mijn kinderen van die makkelijke eters zijn (zie mijn columns van gisteren en eergisteren), maar vergeleken bij hem zijn het hollebollegijsjes. Meneer lust vissticks, appels, boterhammen zonder pitjes, pindakaas, chocola en diksap. Oh ja, en patat.

Dat hij het serieus meent en niet zomaar wat zit te emmeren, weet ik zeker omdat hij ook snoep en koekjes weigert. En toch probeer ik hem elke maandagavond, naast zijn pindakaasboterham, zijn partjes appel en twee vissticks, kennis te laten maken met iets nieuws. Iets exotisch als een broccoliroosje of een kippenpoot. Hele sterfscènes spelen zich dan af aan de keukentafel. Met bewondering gadegeslagen door mijn zonen, toont Jim ons alle mogelijke grimassen waarin hij zijn kleine gezichtje geplooid krijgt. Geraffineerd als een anorexiapatiënt moffelt hij een sliert spaghetti onder zijn trui. Met tranen in zijn ogen verklaart hij dat hij écht, écht ontploft als hij nog meer moet eten. Als dat mannetje denkt mij met dergelijk drama af te schrikken heeft-ie het goed mis. Veel te vermakelijk.

Afgelopen maandag frituurde ik vis in een beslag van kikkererwtenmeel. „Wat is dat?” Dat zijn een soort vissticks, maar dan zelfgemaakt. „Mag ik helpen?” Tuurlijk. Voorzichtig, alsof hij een baby in bad deed, doopte hij de visreepjes in het beslag. Hij mocht ze van mij niet in de kokende olie gooien, wegens de kans op gloeiend gespetter, maar we schepten ze er toen ze goudbruin waren wel samen uit. Hij heeft er drie gegeten, drie hele soort-vissticks. Het was wel een saaie maaltijd, zo zonder amateurtoneel.

Voor ongeveer 2 grote en 3 kleine mensen:

400 g roodbaarsfilet

250 g kikkererwtenmeel

½ theelepel bakpoeder

1 theelepel Hindoestaanse kerrie

arachide- of rijstolie om te frituren

Snijd de vis in reepjes van zo’n 1 bij 5 centimeter. Meng in een schaal het kikkererwtenmeel met bakpoeder, kerriepoeder en zout. Giet er 250 ml koud water bij en roer tot een dik beslag. Verhit de olie in een wok of frituurpan. Haal de visreepjes een voor een door het beslag en frituur ze in 3 tot 4 minuten gaar en goudbruin. Laat ze uitlekken op keukenpapier en houd ze warm onder aluminiumfolie. Mangochutney is er lekker bij, maar bij ons kwam er ook mayonaise en ketchup op tafel.

Hoe krijg jij jouw moeilijke eters aan het eten? Praat erover mee op www.nrc.nl/kokenetc