Dood aan het staatshoofd!

In de rubriek Bijzien wordt elke week een premièrefilm in een bredere context geplaatst. Deze week presidentiële aanslagen, naar aanleiding van ‘Death of a President’.

Het meest dramatische moment in Griffiths The Birth of a Nation (1915) is de moord op president Lincoln in 1865. De moordenaar schiet Lincoln van achteren neer terwijl hij op de eerste rij van het balkon aan het genieten is van een toneelvoorstelling. De dader was zeer teleurgesteld over het verlies van de Zuidelijke Staten in de Amerikaanse Burgeroorlog en de liberale houding van de president tegenover de slavernij. De droom van een natie spatte uiteen. Waarna, zoals Griffiths film uitentreuren laat zien, de Ku Klux Klan zijn kans rook om chaos en verderf te zaaien. Lincoln werd een martelaar, een mythe. Toen Henry Fonda de jonge Lincoln speelde in John Fords Young Mr. Lincoln zei hij: „For me it was like playing Jesus Christ.”

De droom van de natie spatte opnieuw uiteen in 1963, toen president John F. Kennedy in Dallas werd vermoord. Oliver Stone maakte zijn weergaloze JFK over de complottheorieën die sindsdien de ronde doen, en incorporeerde de beroemde amateurfilm van Abraham Zapruder in geheel in zijn film.

Clint Eastwood wordt in Wolfgang Petersens thriller In the Line of Fire nog steeds badend van het zweet wakker bij de gedachte dat hij als veiligheidsagent van dienst op die dag voor de kogel had kunnen springen. Hier was het trauma van een land teruggebracht tot het trauma van één persoon.

Dezelfde gevoelens van geknakt optimisme over de toekomst van Amerika zie je terug in de film Bobby over de moord op Johns broer. In Emilio Estevez’ mozaïekfilm over de aanwezigen in het Ambassador Hotel op de avond van Bob Kennedy’s dood is de parallel met het heden overduidelijk: hadden we nu maar zulke inspirerende – en liberale – leiders als in de jaren zestig. De schaduw van Bush hangt over Bobby.

De teleurstelling over het verschil tussen ‘hoe het had kunnen zijn’ en de trieste werkelijkheid krijgt tegenwoordig zelfs vorm in allerlei wraakfantasieën. In Death of a President wordt als in een documentaire teruggekeken op de ‘moord’ op George Bush op 19 oktober 2007, waarbij beelden van de begrafenis van Reagan – ooit ook bijna vermoord – voor die van Bush worden gebruikt. Is dit film nog een grapje? Of is het op doek gesmeten woede over uitwassen als de Patriot Act en retorische taal over de ‘axis of evil’?

Vroeger werden nationale trauma’s jaren na dato en stukje bij beetje in fictie verwerkt. Hier was een natie indirect bezig zijn betreurde presidenten te mythologiseren. Maar films als Death of a President en Bobby zijn vooral het gevolg van een behoefte aan catharsis. Tegenwoordig moeten de gevoelens van onvrede er nú uit, liever schreeuwend dan kalm en rustig. Dan kunnen we weer verder. Zou Ilja Leonard Pfeijffer niet hetzelfde hebben gevoeld bij het schrijven van zijn toneelstuk De eeuw van mijn dochter, waarin Balkenende aan het begin ten grave wordt gedragen? Opgeruimd staat netjes?