De bloedfokker

Ik zat te schrijven, aan mijn bureau voor het grote raam, vanwaar ik dagelijks badmeestersgewijs de straat onder mij overschouw. Het zou kunnen dat ik even de draad kwijt was, mij een moment verzonken wist in een banale gedachte die niets met de tekst op mijn laptopscherm te maken had. ‘Straks een kilo peren kopen’ bijvoorbeeld, of ‘mmm, warme zon op mijn gezicht’. Hoe dan ook, toen de telefoon rinkelde, schrok ik mij rot. Dat overkomt me wel vaker.

Aan de andere kant van de lijn verifieerde een dodelijk vermoeid klinkende vrouw of ik wel degelijk schrijfster was. Ik bevestigde. Zij leek niet overtuigd. Ik bevestigde opnieuw, met klem.

„Wel”, vervolgde zij, „dan zal ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik ben het slachtoffer van bloedfokkers.”

Terwijl ik antwoordde met een verontrust „Pardon?” schreef ik ‘bloedfokkers’ op een nieuwe bladzijde van een schrift. Wanneer de realiteit zich merkwaardiger aandient dan de fictie, is een beetje alertheid wel op zijn plaats.

„Wel ja, mijn hond”, zegt zij, en iets over dierenartsen, medicatie en papieren. Het drong tot me door dat zij ‘broodfokkers’ bedoelde, een woord dat 37.300 hits heeft bij Google en dat door verschillende actiecomités wordt gedefinieerd als ‘hondenfokkers zonder hart voor het dier’.

Met spijt bedacht ik dat ik te veel beesten had opgevoerd in mijn werk en dat zoiets zich vroeg of laat tegen mij moest keren. Voor je het weet verwachten mensen hongerstakingen om het welzijn van hun hond te steunen. Vervolgens vond ik mijn leven wonderbaarlijk. Dat iemand belde om dat te melden! Als boekhouder overkomt het je waarschijnlijk niet vaak. Ik mocht niet lachen, want de vrouw was begonnen te huilen. Steeds nadrukkelijker eiste zij mijn hulp. Zij herhaalde opnieuw, opnieuw dat zij het slachtoffer moest zijn. Zij werd bedot, had de hond netjes betaald, maar niet volgens de bloedfokker.

De man droeg in mijn verbeelding intussen een roodbesmeurd wit schort en handschoenen, had een wilde baard met stukjes achtergebleven worst erin en een kaal hoofd waarop een opengereten buldog en een vleeshaak stonden getatoeëerd.

De vrouw jammerde dat de bloedfokker haar voor het gerecht had gesleept en de hond weer opeiste. En zij was zo gehecht aan het dier, dat zij naar een Germaanse godheid had genoemd. En kwaliteitsvoedsel voerde. En zij was een slachtoffer.

Ik vroeg de vrouw hoe zij aan mijn nummer kwam. Dat had ze uit de Gouden Gids. Blijkbaar sta ik daar in, bij ‘schrijvers’. En ik niet alleen, ze zou de hele lijst aflopen, mocht het gesprek met mij op een teleurstelling uitlopen.

Wat verlangde zij precies van mij? Hoe kon ik haar van dienst zijn?

„Tja, dat weet ík toch niet”, repliceerde zij wat geïrriteerd, „U zou kunnen beginnen met iets over mijn probleem te schrijven. Dat is toch uw beroep?” Ik kon wel horen dat zij hier nog steeds aan twijfelde.

„Misschien een journalist, een krant, geen schrijver”, raadde ik haar voorzichtig aan, „’t Is fictie, wat wij met informatie doen.” (Ondertussen noteerde ik haar woorden.) „Dat maakt uw vraag wat ongebruikelijk. Mevrouw. Begrijpt u?”

Zij snapte alles, dankuwel.