De Benelux als proeftuin

Het Beneluxverdrag loopt af, dus er moet een nieuw verdrag komen. Op zichzelf zou je dat ook achterwege kunnen laten, maar dat staat zo onaardig en relaties tussen landen laat je niet verpesten door nodeloze onaardigheden. Het is als met die huwelijksreceptie bij de overburen: zonde van je vrije zaterdagmiddag, maar het moet toch.

Kan het ook anders?

De Adviesraad voor Internationale Vraagstukken heeft zojuist een advies uitgebracht hoe verder te gaan met deze Benelux. De Raad werd niet geacht te suggereren dat je er maar beter mee kunt ophouden, want ook het Nederlandse kabinet had – net als dat van de twee andere landen – al besloten dat zoiets niet aan de orde was. Er komt dus een nieuw Beneluxverdrag. Gevraagd werden nu wat argumenten waarom.

Op een nette manier, zoals het hoort, stelt de Raad vast dat het al jarenlang huilen met de pet is: „Het ontbreekt de BEU (Benelux Economische Unie) aan een duidelijke missie en strategie, met als logisch complement daarvan dat het huidige takenpakket focus en coherentie mist.” Het hoogste orgaan, het Comité van Ministers, is zelfs al een kwart eeuw niet meer formeel bijeen geweest.

De Raad adviseert een paar prioriteiten te stellen en vraagt verder iedereen om beter zijn best te doen, waarbij het woord ‘laboratoriumfunctie’ intrigeert. De Benelux als proefterrein voor Europa.

Als het over Nederland en België gaat, dan gaat het steevast over de verschillen: die zijn enorm en die worden ook enorm overdreven. Sociaal-culturele, historische verschillen vooral. De oude architectuur van Brussel ademt de sfeer van Habsburgse steden, van hoofse tradities – Amsterdam die van een regentenburgerij, de een is katholiek, de ander niet. En al spreken ze dezelfde taal: Vlamingen zijn geen zuidelijke Nederlanders, maar noordelijke Belgen, zoals de vroegere directeur van het Haagse ministerie van Cultuur Han Mulder ooit fijntjes opmerkte.

Dat is allemaal waar, maar met hetzelfde gemak maak je zo’n lijstje verschillen tussen Leeuwarden en Maastricht.

De Benelux was desondanks even een succes. Dat was zo net na de oorlog, toen ze elkaar als kleintjes opzochten om enig gewicht in de schaal te leggen. De Beneluxlanden ontwierpen het beroemde Messina-document met de Nederlandse minister J.W. Beyen als drijvende kracht en zo kwam er een Europese Economische Gemeenschap met supranationale elementen om de groten – Frankrijk en Duitsland – in toom te houden.

De Benelux was laboratorium geweest – zij had op kleine schaal zo’n economische unie gedemonstreerd. Lang voordat de fysieke grenzen binnen de Europese Unie verdwenen, kon je van Luxemburg naar Amsterdam zonder slagboom doorrijden en stonden de douanehokjes te verpieteren. Dat sprak tot de verbeelding.

Die tijd ligt ver achter ons.

België is gefederaliseerd vanaf de jaren zeventig. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat Vlaanderen zelf verdragen met andere landen kan afsluiten. Belgische argwaan verdween ook nooit. Zelfs voor de hand liggende projecten à la Scandinavië , zoals een Beneluxambassadecomplex in Berlijn, kwamen daarom niet van de grond.

Nederland voelde zich meestal ook te groot voor de Benelux. België ziet zich als een klein land, Nederland kan het niet laten zichzelf als middelgroot te beschouwen. Bij het laatste EU-verdrag – dat van Nice uit 2000 – vocht premier Kok hard en met succes om één stem meer te krijgen in de Europese raad van ministers dan België had. Materiële betekenis had het niet, het zette ook nog kwaad bloed, maar toch: zwart-op-wit lag vast dat Nederland groter was. Ex-minister Bot had het in november jl. nog over Nederland als „middelgrote lidstaat” van de Europese Unie. Dat ligt kennelijk o zo gevoelig.

Belangrijker nog is dat de oriëntaties van België en Nederland zo zijn gaan afwijken. Nederland heeft zich sedert de jaren negentig stap voor stap ontpopt als een kritische bondgenoot binnen de Europese Unie, kiest in kwesties die de kern van het bestaan raken – die van oorlog en vrede – anders dan België (met daarachter Frankrijk en Duitsland) voor de Angelsaksische wereld. Voor kapitalisten van Angelsaksische snit – de private-equityfondsen, de hedgefondsen – is Nederland de natuurlijke aanlegsteiger van het continent.

De vraag is dus wat je nog kunt verwachten van een ‘laboratoriumfunctie’ van een vernieuwde Benelux. Economische en monetaire integratie zijn binnen de Europese Unie zelf geborgd. Je zou kunnen experimenteren met integratie van gezondheidszorg en ziektekostenverzekeringen, met harmonisatie van belastingregimes, met ‘vrije vestiging’ van studenten. Allemaal nogal praktische dingen tussen buren.

Maar de organisatorische en bureaucratische ingrepen om zo’n volgende laboratoriumfase te betreden, zijn waarschijnlijk een nachtmerrie. Wie het onderwijsstelsel wil openbreken bijvoorbeeld, maakt het zich gemakkelijker door gewoon te wachten tot Amerikaanse universiteiten hier met dependances de markt betreden en de weerstand van nationale bureaucratieën breken. Vroeg of laat gebeurt dat toch wel een keer. Voor gezondheidszorg of fiscaliteit geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Tenzij er natuurlijk een golf van enthousiasme zou bestaan om in Beneluxverband voortrekker te willen zijn. Quod non.

Rest een gezamenlijk optreden van de Benelux in de publieke fora: Benelux-standpunten in de EU of in de NAVO. Het zou stellig gewicht in de schaal leggen, want de Benelux is misschien wel een ‘middelgroot’ land te noemen. België gedraagt zich in deze gremia betrekkelijk consistent als een klein land dat zijn lot verbindt met het Europese vasteland.

Maar voor Nederland zou het een mentale volksverhuizing betekenen. Die doet misschien wel recht aan de geografische en sociaal-economische werkelijkheid maar niet aan het geestesmerk.

Denken ze althans, zou de staatsman van de Benelux, Jean-Claude Juncker, er waarschijnlijk – en terecht – aan toevoegen.