Levenskus wordt onbelangrijk

Snel reanimeren redt levens na een hartstilstand. Traditioneel gebeurt dat met mond-op-mondbeademing en hartmassage. Maar nu lijkt alléén hartmassage beter.

Twee maal zoveel mensen overleefden hun reanimatie als ze alleen hartmassage kregen, zonder mond-op-mond-beademing, vergeleken met de conventionele reanimatie die bestaat uit de regelmatige afwisseling van hartmassage en mond-op-mond-beademing. Aldus de uitkomst van een Japans onderzoek, afgelopen zaterdag gepubliceerd in het Britse medisch-wetenschappelijke tijdschrift The Lancet.

‘Dit moet leiden tot een onmiddellijke en tussentijdse herziening van de richtlijnen voor reanimatie buiten het ziekenhuis’, schrijft een commentator in The Lancet .

Maar in Nederland zit zo’n snelle beleidswijziging er niet in. En ook de European Resuscitation Council laat in een reactie weten dat dit onderzoek niet voldoende bewijs levert. Pas in 2010 wordt gekeken of het nieuwe Europese protocol uit 2005 aanpassing behoeft.

„Op het onderzoek valt veel af te dingen. In Japan gaat het er bij iemand die met een hartstilstand neervalt kennelijk toch heel anders aan toe dan in Nederland,” zegt dr. Ruud Koster, cardioloog in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam en voorzitter van de wetenschapscommissie van de Nederlandse Reanimatieraad. In Nederland valt 300 keer per week iemand plotseling neer met een hartstilstand. De Reanimatieraad zorgt voor het lesmateriaal, de richtlijnen en de trainingen. Die zijn in Nederland inmiddels gevolgd door ruim vier miljoen mesen.

„Als je de cijfers in het Japanse onderzoek vergelijkt met de Nederlandse, dan valt meteen op dat bij ons veel meer mensen met een hartstilstand worden gered dan in Japan. Daar kreeg nog geen derde van de mensen met een circulatiestilstand die door omstanders was waargenomen een of andere vorm van reanimatie. In Nederland doen omstanders bij meer dan 60 procent van de slachtoffers een reanimatiepoging.”

Ook het percentage overlevenden verschilt sterk. In Japan overleefde rond de vijf procent. Koster: „Bij ons was dat in 2005 bijna 17 procent en dat succespercentage is de afgelopen tien jaar bijna verdubbeld.” De cijfers komen uit een onderzoek in Noord-Holland. De vergelijking met tien jaar eerder is vorig najaar gepubliceerd door de Nederlandse Hartstichting.

Een hartstilstand ontstaat vaak na een hartaanval of na hartritmestoornissen, maar kan ook het gevolg zijn van een elektrische schok, blikseminslag, verslikking of verdrinking. Wie binnen vijf minuten wordt gereanimeerd heeft een kans van boven de 90 procent om zonder zwaar hersenletsel te overleven. Na een kwartier is vrijwel iedereen dood.

Cruciaal is dat de hersenen zuurstof krijgen. Dat kan met reanimatie, vanouds de combinatie van hartmassage (ritmisch, in een tempo van 100 keer per minuut met twee ineengevouwen handen indrukken van de borstkas) en mond-op-mond-beademing (de levenskus, het inblazen van een ademteug lucht in de mond van het slachtoffer). Reanimatie houdt de bloedcirculatie een beetje in stand, maar brengt het hart niet op gang. Daarvoor is het wachten op een defibrillator. Een stilstaand of ongecoördineerd bewegend hart krijgt pas weer gezonde regelmaat na een elektrische schok uit zo’n defibrillatieapparaat, aan boord van iedere ambulance.

Tegenwoordig hangen op veel plaatsen automatische externe defibrillatoren (AED’s) die ook door getrainde leken kunnen worden bediend. In Noord-Holland, weet Koster, wordt bij eenvijfde van de reanimaties de reddende klap inmiddels door een AED uitgedeeld. En de overleving onder de mensen die een klap van de AED krijgen is ook weer hoger: 25 procent.

Het is de vraag waarom de overleving in Japan zo laag was. Koster noemt als eerste de hiërarchie: „Het onderzoek is uitgevoerd in 2002 en 2003. Een Japanse ambulanceverpleger moest toen nog eerst een arts bellen voor toestemming om op de knop van de defibrillator te drukken.”

Een belangrijke motivatie voor het Japanse onderzoek was dat in Japan bij omstanders weerzin bestaat om te reanimeren, want dan moeten ze ook mond-op-mondbeademing toepassen. Koster: „Dat probleem bestaat in de VS ook, maar bij ons veel minder.”

Koster vraagt zich ook af volgens welk protocol er in 2002, ten tijde van het veldwerk voor het onderzoek in Japan werd gereanimeerd. Bij twee wijzigingen van het Nederlandse reanimatieprotocol in 2002 en 2006 is de mond-op-mondbeademing al steeds onbelangrijker geworden. Het advies is nu: geef 30 keer hartmassage (borstcompressie) en blaas daarna twee ademteugen lucht in de longen van het slachtoffer en herneem de hartmassage. „Die 30:2 verhouding”, zegt cardioloog Koster, „was tot vorig jaar nog 15:2 en kort na de eeuwwisseling was er een richtlijn die het op 5:1 hield. Dat is allemaal veranderd op grond van nieuwe inzichten.”

Onderzoek naar de bloedstroom die door hartmassage ontstaat heeft geleerd dat het bloed dan maar met een kwart van de normale snelheid stroomt. De bloedcirculatie is ook niet compleet en net voldoende om zuurstof op te halen en af te leveren bij de hersenen, die bij zuurstofgebrek als eerste onherstelbaar beschadigd raken. Koster: „Dat betekent ook dat er veel minder zuurstof in de longen hoeft te worden geblazen, want de opname is ook erg langzaam.”

Wanneer een hart plotseling stopt met kloppen, zit er ook nog een ruime hoeveelheid zuurstofrijk bloed (een liter ongeveer) in de longen. Dat is voldoende voor de eerste twee minuten, als dat bloed met hartmassage tenminste de hersenen bereikt.