In Servië gaat het debat vooral over mannetjes

Op 21 januari kozen de Serviërs een nieuw parlement. Pas vandaag praten partijen over een nieuwe regering. Tot nu toe is geruzied over de vraag wie premier moet worden.

Peter Michielsen

Het heeft twee maanden geduurd, maar vandaag is het dan zo ver: in Belgrado gaan de drie grote ‘democratische’ partijen voor het eerst sinds de verkiezingen van 21 januari om de tafel zitten om te praten over de vorming van een nieuwe regering. De voorgaande twee maanden zijn opgegaan aan de kwestie-Kosovo, het thema dat de Servische politiek geheel domineert.

Niet dat de betrokken partijen – de Democratische Partij DS (tot nu toe in de oppositie), de Democratische Partij van Servië DSS en de hervormingsgezinde partij G17 Plus – de afgelopen maanden niets hebben gezegd en gedaan aan de vorming van een nieuwe regering, maar een formeel driepartijenoverleg is er nog niet geweest.

Wat de drie tot nu toe hebben bereikt biedt weinig hoop op een snelle overeenkomst. De Democratische Partij is van de drie bij de verkiezingen de grootste geworden: zij heeft 65 (van de 250) zetels in het parlement, veel meer dan de DSS (47 zetels) en G17 Plus (19 zetels). Geen wonder dat de DS, de partij van president Boris Tadic (en van wijlen premier Zoran Djindjic) het premierschap opeist voor haar kandidaat, Bozidar Djelic. Dat evenwel wil de DSS tot elke prijs verhinderen: zij wil dat Koštunica premier blijft.

De drie partijen werden het al snel eens over vijf principes op basis waarvan de nieuwe regering aan het werk gaat: de weigering de onafhankelijkheid van Kosovo te accepteren, snelle integratie in de EU, volledige medewerking met het Joegoslavië-tribunaal, bestrijding van corruptie en criminaliteit en bestrijding van de armoede. Die vijf principes liggen voor de hand, dus veel debat was daar niet voor nodig.

De DSS en G17 Plus kwamen onlangs, achter de rug van de DS om, met een zesde principe op de proppen. Dat zesde principe ging over „de verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de coalitiepartijen”. Wat dat principe precies inhield kreeg de DS al heel snel te horen: ze kan niet én de premier én de president van Servië leveren. De DS levert op dit moment de president, Boris Tadic. Met andere woorden: Vojislav Koštunica van de DSS moet opnieuw premier worden. Exit premierskandidaat Djelic. En als doekje voor het bloeden bieden de DSS en G17 Plus aan om in december, als Servië een nieuwe president kiest, de DS-kandidaat te steunen.

De Democratische Partij reageerde kwaad. Tadic wees erop dat in Servië partijen de premier aanwijzen, maar niet de president, want die wordt in Servië door de bevolking gekozen. Het is dus niet passend de premierskwestie te koppelen aan de vraag wie straks president wordt.

Andere DS-woordvoerders wezen op de verkiezingsuitslag van 21 januari: grote winst voor de DS (ze klom van 37 naar 65 zetels), verlies (van zes zetels) voor de DSS. Dus moet Koštunica niet zo hoog van de toren blazen als het om het premierschap gaat.

De DS kwam harerzijds ook met een ‘zesde principe’: als de drie partijen met elkaar in zee gaan moeten in alle gemeenten coalities van een van de drie partijen met de Servische Radicale Partij en de Servische Socialistische Partij van wijlen Slobodan Miloševic worden ontbonden. Dat immers zijn geen democratische partijen, en coalities met die partijen ondergraven de geloofwaardigheid van de coalitie op landelijk niveau.

Als dat zesde principe wordt geaccepteerd door de DSS en G17 Plus, ontstaat chaos omdat in 58 gemeenten, waaronder drie van de vier grootste van het land, het plaatselijk bestuur instort.

Zo heeft sinds de verkiezingen van twee maanden geleden het debat in Servië, afgezien van de kwestie-Kosovo, geheel in het teken van touwtrekken over mannetjes – of over de ambities van Vojislav Koštunica – gestaan en is beleid tot nu toe niet aan bod gekomen. Sterker: de ruzie over het premierschap begon al in de nacht na de verkiezingen, nog voordat de einduitslag vaststond.

Of het vandaag beginnende driepartijenoverleg daar snel verandering in brengt is de vraag. De Democratische Partij heeft al gedreigd in de oppositie te gaan. Als ze dat doet mag Koštunica een minderheidskabinet gaan leiden juist nu het land een dramatische gebeurtenis tegemoet gaat – het verlies van vijftien procent van zijn grondgebied, Kosovo.

Ook wordt al voorzichtig rekening gehouden met nieuwe verkiezingen. Ook dat belooft geen goeds: daarvan profiteren alleen de ultranationalistische Radicalen. Peilingen voorspellen voor de DS een verlies van drie procent, voor de DSS zelfs vijftien procent, en G17 Plus zou de kiesdrempel niet eens meer halen. De drie partijen zijn dus tot elkaar veroordeeld, maar vooralsnog kunnen ze maar moeilijk door één deur.