Geen geweld bij vlucht van tbs’ers

Staatssecretaris Albayrak stelt voor dat begeleiders van tbs’ers geweld mogen gebruiken om vluchten te voorkomen. Ondoordacht, betoogt Remmers van Veldhuizen.

Staatssecretaris Albayrak (Justitie, PvdA) maakt overuren in de Kamer over de tbs-regeling. Het ene spoeddebat volgt op het andere. Uit deze politieke druk resulteren maatregelen, waarbij de uitvoerders van het tbs-beleid grote vraagtekens plaatsen. In een recente brief kondigt de staatssecretaris aan dat zij – tegen advies van de Raad van de strafrechtstoepassing en jeugdbescherming en tegen het advies van de directeuren van tbs-instellingen – een beveiligde fase van verlof invoert.

Deze is voor de tbs-patiënt onnodig en belastend. Ook voor de klinieken is het zeer dure en beperkende maatregel, waarvan het positief effect zeker niet vaststaat. Van begeleiders van tbs-verlofgangers wordt straks verwacht dat zij met geweld ingrijpen, wanneer een tbs’er op verlof zich aan hun begeleiding onttrekt.

Voor de oppervlakkige beschouwer lijkt dit vanzelfsprekend: „Je laat zo iemand toch niet lopen.” Maar een dergelijke maatregel draagt het hanteren van geweld op aan personen die daarvoor niet opgeleid zijn. Er komen ook wel speciaal daartoe opgeleide bewakers, maar óók moeten de gewone begeleiders een vluchtende verlofganger achterna – met niet ondenkbeeldig gevaren. En wat zijn de gevolgen? Daarna zal de tbs’er nog moeilijker uit zichzelf de weg terugvinden naar de kliniek. Nu meldt 60 procent van de tbs’ers die zich tijdens begeleid verlof uit de voeten maakt, zich binnen drie dagen weer vrijwillig. Zal dat na geweldsincidenten ook zo blijven?

Dit zijn voorbeelden van regels die de politiek, bijna Kamerbreed, oplegt aan het tbs-veld. De Kamer lijkt zichzelf voorbij te lopen, omdat met de hernieuwde incidentenpolitiek de breed gedeelde conclusies van het parlementair onderzoek van de commissie-Visser uit 2006 nu al weer onder grote druk staan. Dat rapport waarschuwde voor een ‘inquisitie-democratie’.

De weg naar zo’n inquisitie-democratie lijkt geplaveid met goede voornemens en maatregelen die de burger moed geven. Zo wordt van klinieken waar zich calamiteiten hebben voorgedaan tijdens de onttrekking van één persoon, het verlof van alle andere patiënten bevroren. Van buiten gezien lijkt zo’n maatregel begrijpelijk, maar vanuit andere patiënten en vanuit de professionals die hen begeleiden, leidt dit tot onmogelijke situaties. Te vrezen valt dat deskundige hulpverleners door dit soort beperkingen afhaken en de sector de rug toekeren.

In deze sfeer loopt de spanning tussen het departement en het veld op. De tendens lijkt dat de minister steeds dieper wil ingrijpen, bijvoorbeeld via het benoemen en ontslaan van hoofden van instellingen en het combineren van inkoopmacht, toezicht en regulatie van instroom en uitstroom.

Dit gebeurt, terwijl voor de commissie-Visser bijna alle deskundigen hebben betoogd dat de minister niet voor elke individuele tbs’er verantwoordelijk zou moeten zijn, maar een behoorlijke systeemverantwoordelijkheid zou moeten hebben – net zoals zijn collega’s van Verkeer en Volksgezondheid.

Een andere maatregel is het nu voorgestelde knieslot, een nieuw snufje dat de tbs’er die tijdens verlof de benen neemt, op de knieën moet dwingen. We weten werkelijk niet welke impact dit zal hebben.

Daarmee kom ik tot de kern van mijn betoog: we moeten in deze fase van overmatige politieke controle op het tbs-stelsel waken voor het ‘hersenslot’, waarbij maatregel na maatregel de ruimte voor professionals en klinieken om zelf verantwoordelijk te zijn en adequate oplossingen te bedenken, vermindert.

Een maatregel om dit hersenslot te voorkómen lijkt onderzoek. Laten we desnoods dit soort maatregelen gefaseerd invoeren. En laat de Kamer dan een eigen onderzoek instellen. En laten we in breder verband – internationaal, nationaal, historisch – nog eens vergelijkend onderzoek naar recidivecijfers doen: stel vergelijkbare groepen samen (qua leeftijd, delict, eerdere recidives en andere criteria) en vergelijk bij hen het effect van tbs en gevangenisstraf.

Wij weten de uitkomsten feitelijk al, maar misschien kan nieuw en zelf geïnitieerd onderzoek de Kamer wél overtuigen.

Het uiteindelijk effect van de huidige maatregelen is dubieus en dreigt de tbs onuitvoerbaar te maken. Aan het eind van de rit komen we dan met z’n allen slechter uit.

Ik pleit daarom voor meer terughoudendheid. Wanneer men toch nieuwe maatregelen beoogt, moeten die gepaard gaan met een verplichte ‘veiligheidseffectrapportage’: draagt de maatregel bij aan veiligheid, wat zijn de bijeffecten en de systeemeffecten? Mogelijk schept dat nieuwe ruimte voor de aanbevelingen van de commissie-Visser en voor een iets afstandelijker debat – zelfs op momenten dat een in principe nimmer te vermijden nieuw incident de burgers, de media, de politiek, maar ook de werkers in de tbs en veel tbs-gestelden zal schokken.

Onze hersenen moeten niet op slot, we moeten doordenken. Na opruimen van de ravage wordt de rijksweg na ieder ongeluk ook weer opengesteld voor verkeer. Hoe afschuwelijk die incidenten ook kunnen zijn: de tbs moet niet op slot.

J.R. van Veldhuizen is psychiater en directeur Zorgontwikkeling GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo. Hij is lid van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.