Een Maginotlinie in onze polder

Historische trauma’s zijn slechte raadgevers voor beleid. Een voorbeeld is de Franse Ligne Maginot. Deze verdedigingslijn werd gebouwd na de traumatische ervaring met de loopgravenoorlog van 1914-1918.

De Maginotlinie heeft enorme middelen gevergd en ze was zonder meer ook nuttig geweest bij een nieuwe loopgravenoorlog. Maar Hitler bereidde toen de Blitzkrieg voor, met forse investeringen in beweeglijk militair optreden. Met wijd omtrekkende bewegingen werd de Maginotlinie in de rug aangevallen. De afloop is bekend.

Ook Nederland voert een verkeerd beleid als gevolg van een trauma. Anders dan bij de Fransen is het geen trauma uit een oorlog. Het is veeleer een sociaal-economisch trauma opgelopen door de ‘Hollandse ziekte’, internationaal bekend als ‘The Dutch Disease’. Laat me het probleem van de Hollandse ziekte even schetsen voor de niet-economisch geschoolde lezer.

De prijsexplosies van energie in 1973 en 1978 dreven de Nederlandse exportopbrengsten uit aardgas naar grote hoogtes. Dit exportsucces was op zich leuk, maar het maakte de Nederlandse gulden fors duurder. Aardgas bleef een fortuinlijk exportproduct, maar de rest van het bedrijfsleven kon met de dure gulden niet meer internationaal concurreren. Nederland verloor exportmarkten en kreeg last van goedkope import. Gevolg: bedrijfssluitingen en reorganisaties. De werkloosheid liep rap op, ondanks een redelijk draaiende internationale conjunctuur. Toen begin jaren tachtig een recessie uitbrak, waren de rapen helemaal gaar. De traumatische ervaring met bedrijfssluitingen en schrikbarend oplopende werkloosheidscijfers zit diep in het nationale geheugen van de Nederlanders. Het economische beleid kent sindsdien eigenlijk nog maar drie prioriteiten: ‘werk, werk en nogmaals werk!’

Daarom deden de vakbonden aan loonmatiging en stonden ze goedkoop flexwerk toe. En het heeft gewerkt. Nederland kreeg een heel arbeidsintensieve economische groei. In de jaren tachtig en negentig ging 1 procent groei van het nationaal product in Europa gepaard met ruim 0,1 procent groei van de gewerkte uren, terwijl in Nederland bij diezelfde 1 procent economische groei de arbeidsuren met bijna 0,6 procent groeiden.

Deze arbeidsintensieve groei staat in merkwaardig contrast met de ervaring in de jaren zestig: toen hadden we een arbeidsbesparende economische groei. Bij een economische groei van 4 à 5 procent stagneerde de groei van de arbeidsuren.

Overigens toont dit voorbeeld aan dat arbeidsbesparende economische groei geen probleem hoeft te zijn voor de werkgelegenheid: het hoge tempo van arbeidsbesparende rationalisering werd gecompenseerd met arbeidsduurverkorting. Eind jaren zestig zaten de meeste Europese landen dicht tegen volledige werkgelegenheid aan.

Uiteraard waren de Nederlanders blij met de arbeidsintensieve groei vanaf het midden van de jaren tachtig. De werkloosheid daalde fors en ook de overheidsfinanciën werden makkelijker beheersbaar. Iedereen blij – en wat is nu eigenlijk het probleem? De arbeidsintensieve groei van Nederland leidde eind jaren negentig tot een krappe arbeidsmarkt. In ondernemerskringen ervoer men de recessie vanaf 2001 als een verademing: eindelijk weer een ruimere arbeidsmarkt! Alleen, bij de huidige arbeidsintensieve groei wordt die arbeidsmarkt snel weer krap. Ik kan u op de achterkant van een envelop voorrekenen dat we binnen 2 tot 3 jaar weer terug zijn bij de situatie van eind jaren negentig: een krappe arbeidsmarkt met een dreigende loon-prijsspiraal. Dingen die schaars zijn worden nu eenmaal duurder; daar kan geen beleid tegen op, ook geen loonmatigingsbeleid.

En dan hebben we het nog niet gehad over de vergrijzing. Iedereen is het erover eens: na 2020 wordt arbeid echt schaars. Tevens neemt door het groeiende aantal ouderen de behoefte aan zorgdiensten rap toe, en die zijn erg arbeidsintensief.

Hoe moet Nederland deze uitdaging aangaan, als we aan de huidige arbeidsintensieve groei vasthouden? Hoe kunnen we voorkomen dat onze opgespaarde pensioenvermogens inflatoir worden uitgehold? En dat straks alleen de meest welvarende ouderen zich nog dure zorgdiensten kunnen veroorloven? Arbeidseconomen putten zich uit met voorstellen om de arbeidsparticipatie te verhogen. Dat zal ongetwijfeld een beetje helpen, maar het blijft symptoombestrijding.

Wat men in het vooruitzicht van vergrijzing en arbeidsschaarste eigenlijk zou willen is een terugkeer naar het arbeidsbesparende groeimodel van de jaren zestig. Ik heb ooit geopperd dat een hogere prijs van arbeid ondernemers een prikkel geeft zuiniger met arbeid om te gaan door bijvoorbeeld vlotter te automatiseren. Echter, met het trauma van de jaren tachtig in het achterhoofd was dat volstrekt onbespreekbaar. Veel Haagse beleidseconomen propageren nog altijd een matige loonontwikkeling en flexibilisering van de arbeidsmarkt. Het probleem is alleen: als arbeid goedkoop en flexibel is, dan trekken ondernemers liever een blik flexkrachten open dan dat ze investeren in dure apparatuur voor automatisering.

In de komende jaren krijgen we echt geen last meer van werkloosheid, zoals in de jaren tachtig. Mogelijk houden we nog een probleem aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dit is echter geen arbeidsmarktprobleem, maar een kwestie van beter onderwijs. In plaats van werkloosheid krijgen we straks een pittige arbeidsschaarste. Men gedraagt zich niettemin nog steeds alsof het begin jaren tachtig is: werk, werk en nogmaals werk! Zo bouwt Nederland aan een sociale Maginotlinie: beleid, ingegeven door het kernprobleem van de vorige oorlog. Het kernprobleem van de volgende oorlog (arbeidsschaarste door vergrijzing) wordt daarmee niet opgelost maar fors verergerd.

Dr. Alfred Kleinknecht is hoogleraar economie van innovatie aan de TU Delft. Literatuur achter deze column op www.eci.tbm.tudelft.nl.