Echte economische integratie nog ver weg

De Europese welvaart is drie maal zo hoog als bij de oprichting van de voorloper van de EU in 1957. Toch zijn er kanttekeningen te plaatsen bij het succes.

Is de Europese Unie, vijftig jaar na de ondertekening van het Verdrag van Rome, een economisch succes? Op papier volgde Europa keurig de eerste stadia van economische integratie zoals die begin jaren zestig door de econoom Béla Balassa werden geformuleerd: een vrijhandelszone in 1957 bij de ondertekening van het Verdrag van Rome, een douane-unie in 1968, een gemeenschappelijke markt na 1992, als resultaat van het plan van de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors. En sinds 1999 is er sprake van een Economische en Monetaire Unie voor twaalf van de vijftien toenmalige lidstaten – Griekenland kwam er iets later bij. Alleen Balassa’s ultieme stadium, de totale economische integratie, waarbij alle relevante besluiten op supranationaal niveau worden genomen, is nog ver weg.

Wie kijkt van hoe ver de Unie komt, kan weinig anders dan onder de indruk zijn. De welvaart van de Europese burger is, gemeten in de koopkracht van vandaag, meer dan het drievoudige van die in 1957. De veranderingen die hebben plaatsgehad, zijn enorm. In 1958 was 23 procent van de gezinnen voor het inkomen nog afhankelijk van de landbouw, en 40 procent van de industrie. Nu is dat respectievelijk 4 procent en 29 procent. In plaats daarvan is de EU, ondanks de agrarische en industriële oriëntatie van het merendeel van de nieuwe lidstaten, nu een diensteneconomie. Tweederde van alle huishoudens verdient het inkomen met dienstverlening.

Ook de integratie zelf lijkt een succes. De onderlinge handel tussen de lidstaten van de Unie was aan het einde van de jaren vijftig eenderde van hun totale handel. Nu is dat tegen de 60 procent. Het grootste deel van hun in- en uitvoer doen de landen van de EU dus tegenwoordig met elkaar. De verschillen in welvaartsniveau tussen de lidstaten zijn intussen kleiner geworden.

Toch zijn al deze gegevens geen bewijs voor het slagen van het Europese project. Veel ontwikkelingen zouden hoe dan ook hebben plaatsgehad. De overgang van een agrarische naar een industriële naar een diensteneconomie is een trend die zich de afgelopen vijftig jaar overal in het westen voordeed. Dat geldt ook voor de welvaartsgroei zelf. Efficiëntere productieprocessen en bedrijfsorganisatie en een beter opgeleide bevolking hebben de productiviteit hoe dan ook verhoogd. Dat geldt ook voor internationale specialisatie door een groeiende wereldhandel, waardoor elk land de mogelijkheid kreeg om juist dat te doen waarin het verhoudingsgewijs het beste is. Kijk naar Noorwegen en Zwitserland: nooit lid van de Europese Unie geweest, maar ze behoren wel tot de Europese landen met de hoogste welvaartsniveaus.

Vandaar dat de EU niet onder de vergelijking uitkomt met die andere westerse economische grootmacht: de Verenigde Staten. De Amerikaanse econoom Robert Gordon onderscheidt daarin drie tijdvakken. Tussen 1950 en 1973 was Europa in de ban van de wederopbouw: de economie groeide in die periode gemiddeld 2 procent sneller dan die van de VS. Tussen 1973 en 1995 kromp de voorsprong: de Europese economie deed het nog steeds beter dan die van de VS, maar het verschil in economische groei was inmiddels teruggelopen tot 0,75 procent. En na 1995 zijn de rollen omgedraaid: de Amerikaanse economie groeide sindsdien ruim 1 procent per jaar sneller dan de Europese.

Er zijn verschillende redenen waarom Europa zijn voorsprong verloor. De inhaalslag was voltooid en het bereiken van nóg meer flexibiliteit in de arbeids- en productmarkten stuitte na de sprint van Delors op groeiende weerstand. Ook liep de bevolkingsgroei sterk terug, terwijl die in de VS gewoon doorging. Maar ook per hoofd van de bevolking is er sprake van een groeiachterstand van de huidige Europese Unie. Het resultaat is dat het bruto binnenlands product per hoofd in de EU, gecorrigeerd voor verschillen in koopkracht, een kwart lager is dan het Amerikaanse. De welvaart aan de andere kant van de Atlantische Oceaan is, volgens deze maatstaf, nog steeds veel hoger dan hier.

Had het beter gekund? Die vraag is door de EU-regeringsleiders inmiddels beantwoord met het in 2000 opstellen van de zogenoemde Lissabon-doelen voor een productievere en meer flexibele Europese economie. In 2010 had de Europese Unie aldus de meest concurrerende economie van de wereld moeten worden, maar met nog drie jaar te gaan lijkt dat moeilijk haalbaar. Bovendien lijkt er op dit vlak ook sprake van een keuze. De arbeidsproductiviteit in de Unie doet nauwelijks onder voor die in de Verenigde Staten. Het verschil in welvaart kan zo worden herleid tot de Europese afweging liever minder lang te werken en dan ook minder te verdienen. Al is het de vraag of die keuze in een globaliserende wereld niet al een ondraagbare weelde geworden is.

Misschien is een andere vraag meer gerechtvaardigd: had het slechter gekund? Stabiliteit is de eerste en belangrijkste voorwaarde voor economische ontwikkeling. In een continent dat van oudsher verscheurd is door rivaliteit en conflict heeft de Europese Unie inmiddels bijgedragen tot vijftig jaar van rust en samenwerking.

De economische voordelen daarvan zijn onmogelijk te kwalificeren. Maar niemand kan ontkennen dat, alleen al door vijf decennia te bestaan, de EU een onbetaalbare bijdrage heeft geleverd aan de welvaart.

Artikelen over vijftig jaar Europese samenwerking zijn te lezen op www.nrc.nl/EU50