Blanken klapten voor twee, de zwarten niet

Jody Williams heeft haar onderzoek naar Darfur voor de mensenrechtenraad van de VN afgerond. Niet alleen Khartoum maakte haar het werk moeilijk, zegt ze. Vooral de leden van de raad zelf lagen dwars.

Genève, 20 maart. - Toen Jody Williams vrijdag bij de mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève haar onderzoeksrapport over Darfur had gepresenteerd, gebeurde er iets uitzonderlijks: ze kreeg applaus. Achterin de ronde zaal vol diplomaten en regeringsvertegenwoordigers uit de hele wereld kon je het mooi overzien. Nou ja, mooi – eerder pijnlijk: de meeste blanken klapten voor twee en de meeste zwarten klapten niet.

Als Williams ooit haar memoires schrijft, zal ze in het hoofdstuk ‘Darfur’ méér pijnlijke momenten aanstippen (de rest van het boek gaat natuurlijk over de strijd tegen landmijnen, waarvoor ze in 1997 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg). Want sinds ze in januari door de mensenrechtenraad werd gevraagd om een onderzoeksteam naar Darfur te leiden, heeft ze voortdurend klemgezeten in de ruzie tussen westerse en niet-westerse landen die fora van de Verenigde Naties als de mensenrechtenraad het werken steeds moeilijker maakt. Iedereen heeft het er hier over. Zelf zegt ze voorlopig niet meer dan dit: „Het moeilijkste van die missie was niet het gereis of mijn zorg dat we geen visa kregen voor Darfur. Ook niet het interviewen van vluchtelingen en het luisteren naar twintig vrouwen in één uur tijd, van wie er vijf groepsverkrachting hadden ondergaan. Het moeilijkste was om met de politiek van de raad om te gaan, vanaf de minuut dat ik werd gebeld.”

Niet dat Williams ooit kan hebben gedacht dat het simpel was. Door de landmijnen kent ze de wereld van de Realpolitik. Ze wist dat het de raad, die midden 2006 is opgericht, nog niet was gelukt om de mensenrechtenschendingen in Darfur te veroordelen. Westerse landen wilden dat, maar omdat niet-westerse landen in de meerderheid zijn, lukte dat niet. Compromis: ‘We sturen een onderzoeksteam’. Het zoveelste. Dat was afgelopen december.

Het team zou zes onafhankelijke leden krijgen van over de hele wereld, onder wie de vaste (Afghaanse) Soedan-rapporteur van de VN. Afrika schoof meteen een kandidaat naar voren: de Algerijnse ambassadeur in Genève, een warm pleitbezorger van de Soedanese regering die vindt dat het in Darfur „steeds beter gaat”. Prompt stapte de westerse kandidaat, de Noorse ex-minister Hilde Johnson, op. Daarna weigerden ook een Fin en een Est om met de Algerijn te werken.

Alle westerse landen herinnerden de Mexicaanse voorzitter van de raad, Luis Alfonso de Alba, per brief aan zijn belofte om géén ambassadeurs van landen uit de raad in het team te benoemen, omdat die niet onafhankelijk zijn. Maar De Alba wilde de Afrikanen niet dwingen. Deze patstelling duurde tot half januari. Intussen raasden de aan de regering verbonden Janjaweedmilities en de rebellen door Darfur en kampen in Tsjaad – plunderend, moordend en verkrachtend.

Uiteindelijk vervingen de Afrikanen de Algerijn door de ambassadeur van Gabon. De Aziaten nomineerden de Indonesische ambassadeur. Twéé ambassadeurs! Volgens Human Rights Watch schepte dit een „gevaarlijk precedent voor andere missies”. Maar omdat de Gabonees niet-islamitisch was en de Indonesiër redelijk gematigd, gingen de westerse landen tandenknarsend akkoord.

Williams’ missie begon begin februari in Genève. Haar team had gesprekken met VN’ers, niet-gouvernementele organisaties en diplomaten. Buurlanden van Soedan gaven intussen visa af. Maar Soedan niet: één van de teamleden – Bertrand Ramcharan uit Guyana – had een hoge post gehad bij het Hoge Commissariaat voor de Mensenrechten, en hij zou de toestand in Darfur ooit ‘genocide’ genoemd hebben. Ramcharan ontkende dit, maar dat mocht niet baten. Ook zag Soedan een Amerikaanse assistent van het team niet zitten – hij zou een CIA-agent zijn. Een ander team, suggereerde Khartoum, zou hartelijk welkom zijn.

Maar ook westerse diplomaten gaven Williams ‘advies’. De Amerikanen drukten haar op het hart recht voor zijn raap te zijn. Sommige Europeanen vonden juist dat ze Soedan niet moest veroordelen, maar vooral met aanbevelingen voor een oplossing moest komen. Anders zou de raad haar eindrapport straks nog afwijzen. Van dit soort gesprekken, zegt men, werd Williams bijna even gek als van haar bijna dagelijkse ontmoetingen met de Soedanese ambassadeur.

Het team vloog eerst naar Ethiopië voor gesprekken bij de Afrikaanse Unie. Toen er in Addis Abeba ook geen Soedanese visa kwamen, reisde het team direct naar vluchtelingenkampen in Tsjaad. Maar zónder de Indonesische ambassadeur: die haakte plotseling af.

Het werd steeds duidelijker dat het Darfur-rapport buiten Darfur geschreven moest worden. Islamitische landen zouden het rapport daardoor bekritiseren, en Indonesië wilde niet in het nauw komen. De ambassadeur van Gabon vertrok ook, maar bleef wel teamlid. Later zouden Soedan en zijn bondgenoten blijven volhouden dat er „twee leden” uit Williams’ team waren gestapt en dat het eindrapport daardoor „niet legitiem” was.

Eind februari begonnen Williams en de anderen (ook de Gabonees) in Genève het rapport te schrijven. De eerste versie moest over. De tweede en de derde ook. Op de voorzitter van de mensenrechtenraad en een paar anderen na, heeft niemand die versies gelezen. Maar iedereen weet dat ze „veel te politiek” waren. Dat moet wel héél politiek zijn geweest: de vierde versie, die iedereen op 13 maart wél kreeg (ondanks Afrikaanse dreigementen om het voorgoed in een la te stoppen), veroordeelt de Soedanese regering in krachtige termen wegens medeplichtigheid aan misdaden tegen de menselijkheid, en roept de internationale gemeenschap dringend op om de bevolking van Darfur hiertegen te beschermen.

Wat voor gekonkel er verder heeft plaatsgevonden, wilde Williams vrijdag niet zeggen. Kalm, diplomatiek zat ze daar. Ze praatte over Darfur en omzeilde alle vragen over alles wat haar het leven de laatste weken zuur had gemaakt. Door onhandige quotes in de pers kan ze het minieme kansje dat de raad haar rapport eind maart goedkeurt, verknallen.

Maar velen hopen dat ze daarna alsnog uit de school klapt. Al was het maar omdat haar verhaal, beter dan geleerde stukken in geleerde tijdschriften, aangeeft hoe diep de crisis bij de mensenrechtenraad zit.