Amerikaanse arm reikt te ver

Amerikaanse diensten vorderen allerlei financiële gegevens over particulieren in Nederland. Het is de jongste variant van een oude controverse tussen Europa en de VS.

In de Verenigde Staten spreekt men van ‘de lange arm’: wetten die zich doen gelden buiten het eigen grondgebied. Een sterk voorbeeld is de federale wet waarin Amerika zich verzette tegen het nieuwe Internationale strafhof, dat gevestigd is in Den Haag. De VS hebben niet alleen bijna honderd verdragen gesloten met allerlei landen in de wereld om te voorkomen dat zij aangeklaagde Amerikaanse staatsburgers aan dit hof uitleveren. De Amerikaanse wet voorziet ook in het daadwerkelijk bevrijden van eigen onderdanen als dat onverhoopt toch gebeurt. Met als uiterste consequentie een Amerikaanse invasie op het strand van Scheveningen. Vandaar de bijnaam ‘The Hague Invasion Act’.

Een dergelijke eclatante inbreuk op de soevereiniteit van Nederland behoort voorshands tot het rijk van de juridische theorie. Maar dat geldt niet voor het opvragen van privégegevens van burgers bij Nederlandse financiële instellingen door Amerikaanse veiligheidsdiensten, waarover deze krant op 10 maart een onthullende reportage bracht. Het eigenmachtig vissen in Nederlandse databanken botst met de Nederlandse Wet bescherming persoonsgegevens en de Europese richtlijn waarop deze is gebaseerd.

Het recept is bekend van de passagiersgegevens die luchtvaartmaatschappijen die op Amerika vliegen, moeten verschaffen. Er is overigens wel een belangrijk verschil. De VS hebben, net als ieder ander land, het recht om vreemdelingen die toegang wensen, het hemd van het lijf te vragen. Een probleem is wel dat Europa de export van persoonsgegevens alleen toestaat indien het ontvangende land een „gelijkwaardig beschermingsniveau” biedt. Het ziet er niet naar uit dat de VS dat doen als het gaat om de terrorismebestrijding, getuige het schandaal dat is ontstaan over misbruik van de Patriot Act, de wettelijke basis van de zogeheten ‘stofzuigerbenadering’ in de gegevensvergaring door de FBI.

Op passagiersgegevens kunnen de Amerikanen tenminste nog een directe aanspraak doen gelden in verband met de grensbewaking. Bij het vissen in Nederlandse databanken is het juridische aanknopingspunt veel minder duidelijk. Het internationale recht hecht veel waarde aan het zogeheten territorialiteitsbeginsel, maar Amerika heeft daar al meer dan een eeuw weinig boodschap aan. Het verklaart zijn wetten van toepassing op buitenlandse instellingen, zodra die maar enige band hebben met de VS, zoals een notering aan de Amerikaanse beurs.

Hoe ver de lange arm kan gaan bleek de afgelopen jaren bij claims over ‘oorlogskunst’ in andere landen, zoals Oostenrijk. Om dergelijke disputen aan zich te trekken vond de Amerikaanse rechter het al voldoende dat het desbetreffende werk is opgenomen in een catalogus die ook in de VS verkrijgbaar is of dat een buitenlands museum kaartjes verkoopt aan Amerikaanse toeristen.

Met name in handelszaken stelt Amerika zich op het standpunt dat zijn wetten gelden voor alles wat in het buitenland gebeurt en ook maar enig effect heeft in de VS zelf. Een berucht voorbeeld zijn Amerikaanse boycotwettten tegen Cuba, Libië en Iran die van toepassing zijn verklaard op ondernemingen waar ook ter wereld, ook al volgen deze geheel de wet van de plaats van vestiging.

In het geval van de financiële gegevens kunnen de VS via officiële kanalen een zogeheten rechtshulpverzoek indienen bij Nederland om inlichtingen van Nederlandse bedrijven te vragen. Amerika trekt zich echter weinig aan van de koninklijke weg, zo bleek in 1992 in de zaak Alvarez-Machin. Agenten van de Amerikaanse narcoticabrigade hadden een Mexicaanse arts ontvoerd die betrokken zou zijn geweest bij het martelen en doden van een van hun collega’s op missie in het buurland. De VS hebben een uitleveringsverdrag met Mexico. Maar het Amerikaanse Hooggerechtshof dekte de ontvoering met het argument dat zo’n verdrag „niet de enige weg is waarop het ene land een onderdaan van een ander land in hechtenis kan nemen”.

Behalve Mexico protesteerde Canada tegen deze inmenging in de interne aangelegenheden van een andere staat en noemde de ontvoering „een misdrijf”. In het geval van handelsbelangen trof Groot-Brittannië – ondanks zijn spreekwoordelijke ‘speciale relatie’ met de VS – in 1980 wettelijke maatregelen om medewerking aan te vergaande Amerikaanse eisen te blokkeren. De EU waarschuwde twintig jaar geleden dat Amerikaanse aanspraken tegen Europese dochterbedrijven „alleen maar kunnen leiden tot politieke en juridische botsingen”.

Omgekeerd is de Europese eis van een gelijkwaardig beschermingsniveau bij het grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens ook een vorm van lange arm-wetgeving. Dat Europa een ander land niet de regels kan voorschrijven, doet echter niets af aan zijn plicht ze op het eigen grondgebied te handhaven.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.kuitenbrouwer@nrc.nl