Wie dacht jij dat we zijn, Bellini

Het gebeurt wel eens in modezaken, dat je na grondige inspectie van het totale aanbod staat te passen in een hokje, en dat je dan twee vrouwen hoort praten over wat zij aan het passen zijn: „Ja dat is wel érg mooie stof!”,,En die rok valt ook zo prachtig hè?” Kan me zelden beheersen om even door de gordijntjes te gluren – wat hebben zij gevonden dat ik over het hoofd heb gezien?

Negen van de tien keer zag ik nergens iets dat met ‘prachtig’, ‘mooie stof’ en ‘soepel vallen’ in verband gebracht kon worden. En altijd was het verbazingwekkend hoe anders andere mensen iets beoordelen, meer dan verbazingwekkend, licht verontrustend. Want wat zij zeiden, dat was niet wat ik waarnam.

Op allerlei manieren komt het voor, het gebruik van dezelfde woorden om de wereld te beschrijven, maar het is de wereld niet, de jouwe niet. Laatst zat ik in het vliegtuig terug uit Venetië, alwaar dagenlang bijna duizelig van verrukking rondgelopen, het stralende licht boven de lagune, de schittering van het water, het blauw van de Bellini’s in de kerken, het goud van de mozaïeken in de San Marco. Er was een Picasso-tentoonstelling getiteld ‘La Joie de Vivre’, en de hele stad scheen dat uit te drukken, joie de vivre, de vreugde van het in leven zijn. Je weet ook maar nooit hoelang het duurt, dat leven van je en van je geliefden, soms is het goed om even stil te staan en te denken: we leven. Wat een vreugde. Het voorjaar laat dat graag voelen, en des te meer als het begeleid wordt door bloeiende mimosa, turquoise water tegen kades en pinkelend licht op marmeren muren.

Enfin, ik zat in het vliegtuig terug en achter me raakten twee Amerikaanse vrouwen in gesprek die natuurlijk ook van elkaar wilden weten hoe ze Venetië hadden gevonden. Best aardig. Beetje saai. Ze hoefden er niet zo snel weer naar terug. Misschien eens met veel vrienden, maar ja, Parijs hè, dat was toch wat anders, het was eigenlijk steeds hetzelfde in Venetië. Ze vonden elkaar helemaal, ze hadden de stad uit als een oppervlakkig boek met een aardig verhaaltje dat niet veel om het lijf had gehad.

Niets van wat ze zeiden leek te slaan op de dagen die achter mij lagen en toch begreep ik precies wat ze bedoelden. Ze keken alleen anders.

In de Venetiaanse dagen las ik behalve over Venetië ook een boek van primatoloog Frans de Waal, Our inner ape. Een primatoloog is iemand die het gedrag van apen goed bestudeert. Het waarnemen wordt een tweede natuur, schrijft De Waal. Kijkt hij naar een groepje mensen dan heeft hij al heel snel door wie in hiërarchie boven wie staat, wie wie vlooit, wie wie nodig heeft, wie seks heeft met wie. Alles draait om macht. Die macht heeft weer alles te maken met reproductief succes, want dat is waar het uiteindelijk om gaat: zoveel mogelijk de genen voortzetten. Maar, merkt De Waal ergens op, dat betekent niet dat au fond alles neerkomt op een rücksichtslose strijd van individuen, zoals Richard Dawkins ons met zijn ‘selfish gene’ heeft willen laten geloven. Weliswaar is het ‘doel’ van genen zichzelf in stand te houden en voort te zetten, maar er is niet voorgeschreven op welke manier dat moet gebeuren. Dat kan ook best op een vriendelijke, sociale manier, bijvoorbeeld met heel veel seks, zoals de bonobo’s, naaste familie van de chimpansees dat doen. Die vechten amper, ze lossen de dingen op met vrijages.

Klinkt aantrekkelijk hoor, die bonobowereld, zonder mannelijke overheersing. De vrouwen hebben zich er zo goed georganiseerd dat ze de mannen domineren, maar ze doen dat zonder geweld. Er bestaat consensus over wie de macht heeft, anders dan in de mannelijke chimpanseewereld.

De Waal schrijft heel goed, zijn voorbeelden zijn aanstekelijk, zijn denken logisch – de wereld gaat steeds overzichtelijker, zij het niet per se ongecompliceerder, in elkaar zitten. De bril waardoor de wereld bekeken wordt is de evolutionaire, waarin alle gedrag uiteindelijk gestuurd wordt door de zorg tot voortbestaan van de soort. Een hoop gedrag zal er ook in het mensengeval beslist door verklaard kunnen worden. Sterker nog, door zo intensief naar gedrag te kijken, in plaats van altijd maar te luisteren naar wat er gezegd wordt, ziet een etholoog een heel belangrijk deel van onze omgang dat wij zelf niet in de gaten hebben. Bijvoorbeeld: als twee mensen met elkaar praten dan past een van de twee het spectrum van zijn stem aan, op een frequentie die je niet bewust hoort. De laagste in status past zich aan, geheel onbewust uiteraard. In politieke debatten wordt als verliezer bijna altijd degene aangewezen die zich heeft aangepast, blijkt na analyse. Dat zijn fascinerende dingen. Er valt heel veel te leren van deze blik die ons als soort ziet, met soorteigenschappen.

Maar als je dan ineens tegenover een van die zo menselijke madonna’s van Bellini staat, met hun wonderbaarlijk blauwe mantels en hun geloken ogen, en je voelt een wereld van betekenis, geschiedenis, verlangen, dan lijkt die beschrijving van de wereld ineens weer in niets op wat je zelf ziet. „Wie dacht jij dat we zijn voordat we sterven/ nu je ons troost met helderheid van vorm,/ die milde ernst, niet aards, maar ook niet van heel ver?” schreef C.O. Jellema in zijn gedicht ‘Sacra conversazione met G. Bellini’. Die taal. Die blik. Is dat de onhoorbare ruis die betekenis geeft aan de wereld, achter elke mogelijke beschrijving?