Werken moet terugkeren als norm

Oude wijken waar gesloopt wordt en nieuwe woningen komen, worden niet zomaar prachtwijken. Daarvoor is in de eerste plaats nodig dat de werkloosheid wordt aangepakt, menen Gerard Marlet en Tof Thissen.

Toen oud-minister Winsemius waarschuwde dat de vlam in veel wijken in de pan zou slaan, werden wijken met veel flats en allochtonen, zoals het Utrechtse Overvecht, onmiddellijk tot iconen van de Nederlandse probleemwijken gemaakt. Vorige week sloeg de vlam inderdaad in de pan in een Utrechtse wijk. Alleen niet in Overvecht, maar in het aanpalende Ondiep. Een wijk zonder flats, met relatief weinig allochtonen en met veel sociale cohesie. Maar ook een wijk met een hoge werkloosheid en een wijk met veel hangjongeren; uit de wijk zelf en – vooral – uit aangrenzende wijken.

De problemen in Nederlandse wijken hebben vooral een sociaal-economische achtergrond, zo blijkt uit recent onderzoek van Stichting Atlas voor gemeenten. Uitzichtloze werkloosheid is een veel belangrijkere verklarende factor voor leefbaarheidsproblemen dan het uiterlijk van de woningen of de bevolking. Die problemen doen zich vooral voor in wijken die in een economisch kansrijke omgeving liggen, maar waar desondanks veel mensen werkloos zijn. In die wijken wordt meer ingebroken, gestolen, vernield en veroorzaken jongeren meer overlast. Het zijn de wijken waar veel mensen wonen die niet in aanmerking komen voor de vele economische kansen die de stad en de omgeving bieden – de wijken waar mensen als het ware een vette worst krijgen voorgehouden waar ze niet bij kunnen – waar de vlam in de pan dreigt te slaan. De frustratie over zo’n relatieve economische achterstandspositie leidt gemakkelijk tot intolerantie en maatschappelijk onaangepast en crimineel gedrag.

Het is dan ook de vraag of met de traditionele stedelijke vernieuwing van die probleemwijken – om in het jargon van het nieuwe kabinet te blijven – ‘prachtwijken’ kunnen worden gemaakt. De vraag is of jongeren die buiten de boot vallen minder gefrustreerd zijn in een nieuw huis. Daar lijkt het niet op. De problemen beperken zich allang niet meer tot de oude stadswijken; in relatief nieuwe wijken in Almere, Zoetermeer en Capelle aan den IJssel doen zich de laatste jaren steeds meer problemen voor. Ook de roep om meer sociale samenhang in de wijken lost de problemen naar verwachting niet op. Het voorbeeld van Ondiep laat zien dat een sterke sociale binding tussen de oorspronkelijke bevolking in een wijk juist ook tot insider-outsiderproblemen kan leiden.

Het bouwen van nieuwe muren in woonwijken moet in iedere geval samengaan met het slechten van muren op de arbeidsmarkt. Dé opgave in de economisch succesvolle Nederlandse steden is juist om iedereen binnenboord te houden en naar eigen vermogen mee te laten doen. Dat is een appèl aan ieder individu, maar ook aan werkgevers, de overheid en haar uitvoerende diensten. Werkgevers moeten werk meer aan de mogelijkheden van mensen aanpassen en het beroepsonderwijs moet de uitstoot van talent stoppen; enerzijds door beter aan te sluiten op de arbeidsmarkt, anderzijds door mee te bewegen met de interesses van jongeren.

In wijken moet werken terugkeren als norm. Geef loon naar werken in plaats van een uitkering. Combineer dat met het werk dat in de buurten gedaan moet worden; er is heel veel sociaal productieve arbeid die nu blijft liggen en niet automatisch door de markt wordt uitgevoerd. Vergroot de kans op maatschappelijke participatie voor mensen die nu aan de kant staan. Denk aan een allochtone moeder die vrijwilligerswerk doet op school, hierdoor de Nederlandse taal beter machtig wordt, haar netwerk uitbreidt en op die manier haar kansen op de arbeidsmarkt vergroot.

De overheid moet individuele initiatieven niet langer frustreren, maar versterken. Bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van het verlenen van vergunningen aan ondernemers en met microkredieten voor mensen die in de buurt een bedrijf willen beginnen. Dat vergroot niet alleen de kans op werk in de wijk maar daarmee keert ook de leefbaarheid in de wijken terug; er komen zo meer kleine winkeltjes, restaurants, ambachtelijke ateliers, kleine zorgcentra waardoor achterstandswijken weer interessant worden om in te wonen.

Het wordt dus tijd dat we de problemen in wijken niet alleen met ‘bouwen en slopen’ proberen op te lossen, maar ruimte geven aan creatief sociaal-economisch beleid. Alleen dan kunnen kansrijk én kansarm profiteren van de mogelijkheden die de stad biedt. Dit recept is echter niet voor iedere wijk in iedere regio hetzelfde. In een stad als Emmen creëert de markt weinig banen zodat het daar alleen zin heeft mensen de arbeidsmarkt op te jagen als daar (gesubsidieerde) banen tegenover staan. Voor een stad als Amsterdam is het juist de vraag of het verder stimuleren van de werkgelegenheid wel zin heeft als werkloosheid en onvervulde vacatures daar al naast elkaar bestaan. Succesvol wijkbeleid zorgt dus niet alleen voor een juiste mix van fysieke en sociaal-economische maatregelen, maar houdt ook rekening met regionale verschillen in de achtergronden van de problemen in de wijken.

Gerard Marlet is directeur van stichting Atlas voor gemeenten en tevens verbonden aan de Utrecht School of Economics. Tof Thissen is voorzitter van Divosa, de vereniging van directeuren van sociale diensten.