We zullen de wereld nooit kennen

Dat de wereld onkenbaar is en onaandoenlijk, we weten het wel, maar Rutger Kopland weet het als dichter meer dan wij. In de mooie documentaire De taal van het verlangen die Het uur van de wolf zondagavond uitzond, zag je hem na het ongeluk dat bijna een eind aan zijn leven maakte, teruggekeerd in zijn werkkamer opnieuw naar het vertrouwde uitzicht kijken, naar de tuin die onveranderd was en schrijven over hoe ze daar lag, die tuin „voor haar ben ik niet weggeweest”.

De tuin bestaat en mist hem niet en ligt er precies zoals daarvoor. Het was een thema dat geregeld terugkeerde in de film, de onkenbaarheid van de wereld, van het leven daarin, inclusief ons eigen leven. Dat veroorzaakt in het geval van Kopland niet alleen beschouwelijkheid maar ook, zoals we eveneens konden zien, een hartstocht om te leven, te lachen, te onderzoeken, mensen te begrijpen. De studie medicijnen werd voor hem pas echt interessant toen er mensen in voor begonnen te komen met problemen „die direct met de persoon te maken hadden”. Hij werd psychiater. We kregen zijn verzameling opmerkelijke ansichten te zien die hij graag voorzien van krankzinnige teksten de wereld in stuurt en die soms weer leiden tot gedichten – op de Nacht van de Poëzie zag je hem een gedicht voorlezen over een ansichtkaart waarop petanque-spelers naar hun kogels staan te kijken: „Zo hadden hun ballen nog nooit gelegen.” En steeds weer het besef te leven in iets dat zo gewoon is dat je er niets van snapt, de bergen in Frankrijk, het stroomgebied van de Drentsche A: „het is te eenvoudig om te begrijpen, te vanzelfsprekend om te beschrijven” maar toch: „ik zal het nooit kennen”.

Heel mooi, en een feest om eens iets over poëzie op de televisie te zien te krijgen (behalve dan de onvolprezen Dode Dichtersalmanak) en nog feestelijker: op een volstrekt normale tijd uitgezonden!

De documentaire verdronk wel een beetje in het grote Van Gogh-gebeuren van dit weekend. Zondagmiddag werd in Amsterdam ‘De schreeuw’ onthuld, een beeld van Jeroen Henneman ter nagedachtenis van Theo van Gogh en de moord op hem, want het is zeker niet alleen de persoon die wordt herdacht.

Gisteravond zond de KRO een Duitse documentaire over de moord op Van Gogh uit, Tatort Linnaeusstraat, die nog maar weer eens vragen stelde bij het onderzoek van de AIVD zowel voorafgaand aan, als volgend op de moord. Opnieuw werd aannemelijk gemaakt dat er geen sprake van kan zijn dat Mohammed B. in zijn eentje heeft geopereerd en ook dat óf hij, óf zijn huisgenoot, die door de Israëlische en de Amerikaanse veiligheidsdiensten als een belangrijke Al Qaeda-figuur wordt gezien, door de AIVD als informant gebruikt werd en daarom beschermd werd. Ten koste van bijna alles. Het is bijzonder angstaanjagend.

In een gefingeerde rechtszaak, Advocaat van de duivel stelde advocaat Theo Hiddema, quasi optredend als advocaat voor Mohammed B., nog maar weer eens de kwestie op scherp of alle uitingen toegestaan moeten zijn en voerde aan dat burgers die zich in hun religie beledigd voelen niet voldoende door de staat beschermd worden. Hij vertoonde filmpjes waarin cabaretiers op vergaande wijze de koningin bespotten of seksueel dolden met het kruisbeeld en stelde dat zijn cliënt niet veel te verwachten had van een samenleving waarin dat soort uitlatingen op bulderend gelach onthaald werden.

Advocaat Gerard Spong, die in het programma als rechter optrad, was wel gevoelig voor dat argument en zag er reden tot strafvermindering in.

Reageer op deze column via www.nrc.nl/ogen