‘We zijn migranten dankbaar, maar ons leven verandert wel’

In Barcelona vinden veel migranten woonruimte in het oude stadscentrum. Dit leidt tot spanningen. Maar jongeren zien de EU als oorzaak noch als oplossing voor problemen in de stad.

Voor de miljoenen toeristen die de stad jaarlijks bezoeken geeft het eeuwenoude centrum van Barcelona vooral invulling aan het reisgidscliché van ‘bruisende stad’. Voor de geboren Barcelonees Alfredo Ruiz (32) waren de lage huizenprijzen reden om in deze multiculturele smeltkroes zijn eerste koophuis te zoeken.

In 2005 betrok communicatie-medewerker Ruiz met zijn vriendin een pijpenla op de begane grond van een 17de-eeuws pand in de achterstandswijk Sant Pere. Enthousiast maakten ze kennis met hun nieuwe buren: Catalaanse bejaarden, andere jonge stellen en migranten uit Afrika, Latijns-Amerika, Azië en Oost-Europa.

In het begin vonden ze het ogenschijnlijk vredig samenleven van alle culturen aantrekkelijk en interessant. Maar na enkele weken sloeg de twijfel toe.

Ruiz ergerde zich aan de straatcriminaliteit door jonge Noord-Afrikanen. De Dominicaanse kapsalon produceerde een – zelfs voor Spaanse begrippen – enorme herrie. Er waren straatgevechten tussen groepen jongeren van verschillende nationaliteiten en gewelddadige aanvallen op buitenlanders door skinheads. En Ruiz hoorde een overvloed aan racistische opmerkingen van autochtone buren.

Hoewel later dan andere Europese landen, heeft ook Spanje te maken gekregen met massa-immigratie. Sinds het land in 1985 bij de EG kwam, is de economie – mede dankzij Brusselse steun – sterk gegroeid. Deze groei, de dalende geboortecijfers en de toenemende vergrijzing noopten het land in de jaren negentig zijn grenzen open te stellen.

Barcelona, altijd de economische motor en de meest internationale stad van Spanje, ontving sinds 1999 250.000 migranten. Zij zijn vooral neergestreken in de historische binnenstad, waar nu 37 procent buitenlander is. De toeristische gotische wijk werd de afgelopen jaren fiks opgeknapt. Daar zitten nu alternatieve kroegjes, hippe galerieën, een multiculturele middenstand en winkels van jonge designers. Sant Pere, El Raval en andere, verpauperde delen blijven in feite sloppenwijken.

Vorig jaar besloot Ruiz zijn autochtone buren te interviewen en hun verhalen te bundelen in het boek ¿Nos volvemos racistas? (Worden we racisten?). „Ik wilde begrijpen of die opmerkingen werden geuit door simpele racisten of dat er meer achter zat”, vertelt hij terwijl we door zijn wijk slenteren.

Hij ontdekte dat de racistische opmerkingen niet uit racisme voortkomen. „Als je doorvraagt blijkt men alleen die paar ‘foute’ buitenlanders te wantrouwen. Is men boos op de politie, die de straatrovers laat lopen. Op de sociale dienst die uitkeringsfraude niet aanpakt. Op de gemeente die stadsvernieuwing uitstelt en te traag uitvoert.”

Desondanks komen de opmerkingen bij migranten wel racistisch over, zegt de Ecuadoriaanse Erika Jaramillo (33). Ze leidt de Latin Kings y Queens, een club van tweehonderd jongeren die in naam is geïnspireerd op de jeugdbendes die in de jaren ’60 in de VS ontstonden. In Catalonië is ze gelegaliseerd en vormt ze een soort jeugdsociëteit voor migranten.

Een jonge priester haalde de jongeren naar zijn parochie omdat over hen werd geklaagd in de buurt. In diens kerkje in de wijk Poble Sec vertelt Jaramillo: „Wij hangen nu eenmaal graag rond op pleintjes, in parken. En omdat we vaak hiphopkleding dragen – kettingen, ruime broeken, honkbalpetjes – dacht men meteen dat we een jeugdbende waren.”

De serveerster (sinds zes jaar in Spanje) merkt dat de wrijving met autochtonen groter wordt. „Ik zette in Ecuador graag de muziek keihard tijdens het poetsen. Hier laat ik dat, vanwege de buren. Maar steeds vaker denk ik: als je zo graag stilte wilt, ga dan lekker in de bergen wonen.”

Jaramillo: „Het ware probleem is het gebrek aan betaalbare woonruimte.” Dat is ook Ruiz’ belangrijkste conclusie. „Spaanse jongeren vinden moeilijk woonruimte, blijven lang thuis wonen, worden later zelfstandig en stichten later een gezin. Daarom zie je veel tienermoeders van buitenlandse, maar niet van Spaanse komaf.”

Ruiz uit daarbij in het bijzonder kritiek op de onroerendgoedsector. Speculanten drijven de toch al hoge huizenprijzen op. Dit verkrotten gebeurt door woningen te verhuren aan te veel mensen, veelal migranten. Juist zij kunnen de huur alleen betalen door met twaalven een eengezinswoning te delen. De speculanten doen dit opdat jonge kopers of bejaarde huurders (met lage, bevroren huren) wegtrekken. „Daarna kopen ze het pand op, restaureren het en verkopen het met grote winst.”

Hoewel alle veranderingen in de buurt ook deels het gevolg zijn van de toetreding tot de Europese Unie, richt niemand er zijn verwijten aan ‘Brussel’. Evenmin zien Ruiz’ buren de EU een oplossing aandragen voor de problemen in hun wijk.

Ruiz verklaart: „Spanje is de EU nog erg dankbaar voor alle steun. En we weten dat we zelf – en echt nog niet zo lang geleden – ook arbeidsmigranten exporteerden. Dat maakt ons toleranter.” Voor Jaramillo geldt: „Ik ken de EU alleen van het journaal in Ecuador. Maar daar luisterde ik nooit goed naar; het was altijd saai nieuws.”

In zijn boek schrijft Ruiz: „De economie moet de migranten erg dankbaar zijn. Voor de wijkbewoners daarentegen lijkt het alsof de economie en het sociale leven niet meer in hun handen zijn.” Hij betreurt, zegt hij, dat wegens de onderlinge spanningen en de overlast de bevolkingsgroepen steeds meer gescheiden gaan leven. Dat iedereen zijn eigen wijk wil en bij de eigen middenstand winkelt.

Dit tegengaan, denkt hij, „is een zaak van de overheid, die in de buurt moet investeren, en van eigen initiatief”. Van de EU verwacht men weinig. „Uiteindelijk blijven we een chaotisch land.”