Watt en Halfwatt

Vraag van een lezer: „Ik ben nogal lang en toen ik in de jaren zeventig een beduidend kortere vriendin had, kregen wij op straat vaak de opmerking wat en half wat te horen. Dit wordt nog wel gebruikt. Op een gegeven moment begreep ik echter dat wat in de uitdrukking niet zomaar ‘wat’ betekende, maar dat de hele frase afkomstig was van oude reclame voor gloeilampen. Een lamp van een watt is natuurlijk niet veel en van een half watt al helemaal niet. Maar is dit wel de juiste verklaring?”

Nee, dat is het niet. Dat wil zeggen, in de betekenis ‘groot en klein’ gaat de uitdrukking terug op de acteursnamen van een komisch Deens filmduo, bestaande uit de lange Carl Schenström (1881-1942) en de kleine Harald Madsen (1890-1949). Merkwaardig genoeg stond dit duo, dat beroemd was in de tijd van de zwijgende film, in verschillende landen bekend onder verschillende namen. In Denemarken werden ze ‘Fyrtaaret og Bivogen’ genoemd, in Zweden ‘Telegrafstopen och Tilhengern’, in Duitsland ‘Pat und Patachon’, in Frankrijk ‘Doublepatte et Patachon’, in Engeland ‘Long and Short’ en in Nederland dus ‘Watt en Halfwatt’.

Inderdaad wordt deze uitdrukking nog geregeld gebruikt. Het correcte Watt en Halfwatt komt op internet het minst vaak voor. Watt en Half Watt (al dan niet met verbindingsstreepjes) iets vaker, maar het foutieve wat en half wat (dan wel wat-en-half-wat) is duidelijk in de meerderheid. Een aardige variant is heel wat en half wat.

De wat-spelling maakt duidelijk dat men geen verband meer legt met watt(age), laat staan met het Deense duo van ongelijke lengte. Ik neem aan dat men de uitdrukking associeert met wat (iets) voorstellen en juist niks voorstellen – en dat dan gekoppeld aan iemands lengte.

Je kunt je trouwens afvragen waarom deze Deense komieken, die in hun tijd zeer beroemd waren, in Nederland Watt en Halfwatt werden genoemd. Waarom niet simpelweg de Korte en de Lange? Dan moet halfwatt indertijd toch een gangbaar begrip zijn geweest.

Dat was het ook. Wie kranten uit de periode 1910-1940 doorzoekt op het woord halfwatt, vindt als vroegste treffer een advertentie uit 1913 met als tekst: „De nieuwe Philips ‘Halfwatt’ lampen, vervangen booglampen.” Het ging hier om een technische verbetering, waarover de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 5 juni 1914 schreef: „Aangezien tot dusverre halfwatt lampen slechts gemaakt werden in lichtsterkten van meer dan 500 kaarsen en slechts gebezigd konden worden voor buitenverlichtingen en groote lokalen, is het ongetwijfeld interessant om te vernemen, dat de N.V. Philips’ Gloeilampenfabriek te Eindhoven er in geslaagd is half-watt lampen te vervaardigen in kleine lichtsterkten […]. Deze lampen zijn geschikt voor winkels en kleinere zalen.” Philips had bovendien aangekondigd halfwatt-lampen te gaan maken die geschikt waren voor in huis, wat een nuttige besparing in de stroomkosten zou opleveren, aldus de krant.

Later kreeg je nog de kwartwattlamp (een fijne tongue twister), maar toen had het Deense duo, dat vanaf 1921 samen films maakte, hier al school gemaakt. Het overdrachtelijk gebruik van watt en halfwatt vinden we voor het eerst in de roman Van armen en rijken uit 1931 van Is. Querido. Daarin lezen we: „Gein, die makelaar Van Cleef met zijn dwergvrouwtje. Heel-Watt en Half-Watt en same nóg niks!’’

Heel-Watt en Half-Watt en samen nog niks – dat zou weleens de (Amsterdamse, humoristische) oervorm kunnen zijn van een uitdrukking die tot nu toe door onze woordenboeken over het hoofd is gezien.

Ewoud Sanders

Reacties naar www.nrc.nl/woordhoek