‘Voor ’t eerst trots atleet te zijn’

Right to Play is een internationale hulporganisatie die kinderen in ontwikkelingslanden door middel van sport en spel een betere toekomst wil bieden. Directeur is de Noorse schaatslegende Johann Olav Koss.

Het is september 1993 als Johann Olav Koss door Olympic Aid, een hulporganisatie gelieerd aan het Internationaal Olympisch Comité (IOC), wordt uitgenodigd om een bezoek te brengen aan Eritrea. De Noorse schaatser zit al een tijdje in een dip. Hij tobt met zijn gezondheid en ook zijn rondetijden zijn onder de maat. ‘Wíl ik eigenlijk wel goud winnen’, vraagt Koss zich af. Hij heeft nog maar vijf maanden te gaan tot de Olympische Spelen in Lillehammer.

Toch gaat Koss in op het aanbod van het nieuwe hulpprogramma voor kinderen in oorlogsgebieden. Wat hij vervolgens in Eritrea aantreft zal zijn leven voorgoed veranderen. „Ik ontmoette mensen die vanuit het niets een land moesten opbouwen”, vertelt hij later in een interview. „Kinderen van zeven, acht jaar keken bewonderend naar posters van soldaten die in de onafhankelijkheidsoorlog waren gesneuveld. Dát waren hun helden. We zijn samen gaan fietsen. Voor het eerst in mijn leven was ik trots dat ik atleet ben. Ik dacht: dit land heeft een rolmodel nodig. Een sportman in plaats van een soldaat.”

Koss’ uitzonderlijke prestatie, in februari 1994, op de Winterspelen in eigen land behoeft nauwelijks toelichting: drie gouden medailles, op de 1.500 meter, de vijf kilometer en de tien kilometer. Hij maakt een deel van zijn prijzengeld over aan Olympic Aid en bezorgt – in eigen persoon – 13 ton aan sportmateriaal in Eritrea voor de jeugd. Op het hoogtepunt van zijn carrière neemt Koss afscheid van de schaatssport om zich in te zetten voor de organisatie die hem weer de wil gaf om te winnen. In 1999 wordt Koss benoemd tot directeur van Olympic Aid, in 2001 komt de fondsenwervingsorganisatie met een eigen sport- en spelprogramma en sinds 2003 prijkt er een andere naam op de voorgevel van het hoofdkantoor in Toronto: Right To Play.

De hulporganisatie, die over een budget van 17 miljoen euro beschikt, kent twee pijlers: Sportworks en Sporthealth. Voor Sportworks worden minimaal twee vrijwilligers naar vluchtelingenkampen uitgezonden om de lokale bevolking op te leiden tot sportcoach. In het Sporthealth-programma wijzen medewerkers kinderen op een speelse manier op de gevaren van veel voorkomende ziektes. Zo leren de Thai tijdens het ‘drakenstaartspel’ hoe zij zich tegen malaria en tuberculose kunnen beschermen; krijgen Oegandezen tijdens het voetballen aidspreventie en leren Zambianen al limbodansend hoe om te gaan met de druk van leeftijdsgenoten om drugs te gebruiken. Right To Play heeft veertig projecten in 23 ontwikkelingslanden; het merendeel wordt geleid door lokaal opgeleide coaches.

Als olympisch kampioen kost het Koss weinig moeite om collega’s te interesseren voor zijn geesteskindje. Enkele honderden atleten van over de hele wereld verlenen hun medewerking aan de organisatie. Ze vergroten niet alleen de naamsbekendheid van Right To Play, maar brengen ook bezoeken aan ontwikkelingslanden. Op de ambassadeurslijst prijken de namen van oud-zwemmer Ian Thorpe, voetballer Ronaldo, marathonloper Haile Gebrselassie en schaatsster Anni Friesinger.

Ook 65 Nederlandse (ex)-topsporters hebben zich bij de organisatie aangesloten. Een van hen is voormalig topbokser Arnold Vanderlijde (44). De drievoudig Europees kampioen in het zwaargewicht en bronzen medaillewinnaar op de Olympische Spelen van 1984, 1988 en 1992, werd vier jaar geleden door Right to Play benaderd om ambassadeur te worden. Vanderlijde: „Eerlijk gezegd zei de naam Right To Play mij destijds niet veel. Maar haar credo kon ik uit eigen ervaring onderschrijven: met sport en spel creëer je zelfvertrouwen, respect en discipline.”

Als jongen van vijftien had Vanderlijde veel baat bij zijn lessen in een Limburgse boksschool. „Ik was een boos kind. Zowel mentaal als fysiek uit balans. Dankzij het boksen raakte ik in een winning mood.”

In 2005 bezocht Vanderlijde op uitnodiging van Right to Play een aantal vluchtelingenkampen in Oeganda en Rwanda. Een van de dingen die hem het meest bijbleef is een educatief spel waarbij kinderen op het gevaar van aids werden gewezen. „De opdracht was om een lange rij te vormen en een rode bal aan elkaar door te geven. Over het hoofd, door de benen – alles was toegestaan, als ze hem maar aanraakten. Wie de opdracht niet goed uitvoerde, werd met het virus besmet.”

Johan van der Werf heeft nog nooit een vluchtelingenkamp bezocht voor Right To Play. „Maar ik sluit niet uit dat het daar ooit nog eens van komt”, zegt de directievoorzitter van Aegon Nederland. Drie jaar geleden werd de multinational door Johan Olav Koss benaderd met het verzoek om sponsor te worden van de humanitaire organisatie. Van der Werf: „Er zijn drie redenen waarom wij destijds ‘ja’ hebben gezegd. Ten eerste omdat wij ons kunnen vinden in de filosofie dat je kinderen met spel discipline bijbrengt. Ten tweede wegens de organisatiestructuur – die deugt. En ten derde wegens de persoon Koss: hij is 365 dagen per jaar met Right To Play bezig. Zó bevlogen, prachtig.”

Aegon behoort tot een groeiend aantal ondernemingen dat de hulpverleningsorganisatie steunt – met geld of knowhow. Tijdens bedrijfsbijeenkomsten van internationale sportevenementen als de WK schaatsen en de Tour de France worden de bestuursvoorzitters door de ambassadeurs van Right To Play geïnteresseerd voor het ambitieuze streven: alle kinderen ter wereld laten sporten en spelen. Want eten, water, kleding en onderdak mogen dan de eerste levensbehoeften zijn, verkondigt Koss keer op keer, kinderen hebben ook vertrouwen in een betere toekomst nodig – en spel maakt daar een belangrijk onderdeel van uit. In Nederland wist hij naast Aegon ook KLM, Ordina en Deloitte voor zijn missie te interesseren.

Sinds Koss in Toronto aan het roer staat is Right To Play uitgegroeid tot een goed geoliede organisatie met een ijzersterk imago. Ieder jaar worden er wel een paar nieuwe projecten gestart en ook de lijst van ambassadeurs wordt steeds langer. „Bevlogen, onvermoeibaar en gecommitteerd”, zijn volgens Van der Werf de woorden die het beste bij de hulpverleningsorganisatie passen.

Maar er ligt ook een gevaar op de loer, waarschuwt de Aegon-topman die sinds 2004 deel uitmaakt van de board of directors van Right To Play. „Voor een nieuw project heb je ook een goede manager nodig. En soms heb ik het gevoel dat we in dat opzicht meer willen dan we aankunnen.” Van der Werf moet er niet aan denken dat Right To Play door haar groeiambities fouten gaat maken. „Dat zou de geloofwaardigheid bij fondsen en overheden geen goed doen.”

Ook Vanderlijde vindt dat Koss en de zijnen ervoor moeten waken dat zij zichzelf niet in de vingers snijden. „Hoe meer mensen, hoe meer zorgen”, vindt de oud-bokser die tegenwoordig workshops en trainingen voor bedrijven verzorgt. „Het zou jammer zijn als dat ten koste gaat van de identiteit van de organisatie.”

Beter is het volgens Vanderlijde als Right To Play zich in de toekomst gaat buigen over de gebrekkige voorlichting over ontwikkelingslanden in het Westen. „Nederlandse jongeren zijn zich nauwelijks bewust van de omstandigheden waaronder hun Afrikaanse leeftijdsgenoten leven. Aids, honger? Nooit van gehoord. Licht ze voor, zou ik zeggen. Of stuur ze naar Afrika. De bewustwording moet van twee kanten komen.”