Vogelwijk

Op haar tafeltje in het lunchrestaurant ontvouwde de vrouw de plattegrond van het stadje, waar ze net was gearriveerd. Ze deed het nerveus, als iemand die weet dat hij aan een belangrijke taak moet beginnen. Ze liep tegen de zeventig, schatte ik, een leeftijd waarop belangrijke taken steeds zwaarder gaan wegen.

„Kunnen we ergens mee helpen?”, klonk het plotseling aan een belendend tafeltje.

Daar zat aan het raam een echtpaar van middelbare leeftijd. Hij rookte een shagje dat naar smeulend rubber stonk, zij had een tipje slagroom op haar neus, afkomstig van de beker warme chocola voor haar.

De vrouw keek een beetje geschrokken op. „Ik moet naar de Vogelwijk”, zei ze. „Mijn zoon gaat daar met zijn gezin wonen. Hij heeft er gisteren een huis gekocht. Ik ben zó benieuwd. Maar ik ben hier totaal onbekend. Net als hij trouwens.”

Wat zachter, bijna op samenzweerderige toon, voegde ze eraan toe: „Hij weet niet dat ik al ga kijken, hoor.”

„De Vogelwijk”, zei de man van het echtpaar, en hij liet er een sceptische pauze op volgen. „Dat is nogal een eind weg. En u zult moeten lopen, want er rijden daar nog nauwelijks bussen.”

„Dat blijft voorlopig ook zo”, knikte zijn vrouw. „Het is een nieuwe buurt, hè. Alles is nog in ontwikkeling. Geen groen, geen winkels, geen scholen.”

„U had uw laarzen wel mogen meenemen”, zei de man, „want het is er nog één en al blubber.”

De vrouw keek hen pijnlijk verrast aan. Ze probeerde nog steeds haar plattegrond op te vouwen, maar het was duidelijk dat ze deze oorlog begon te verliezen. Plattegronden eisen respect en geduld en ze genieten als je in groeiende razernij begint te frommelen en te scheuren. Ik ben zelf een beruchte plattegrondverkrachter – maar daarover een andere keer.

„Dat heeft mijn zoon niet gezegd”, zei de vrouw. „Het was een jonge wijk vlakbij weilanden.”

De man grinnikte bedwongen. „Die weilanden zijn aan de ándere kant van de drukke snelweg die vlak langs de Vogelwijk loopt. Hij mag hopen dat ze die weg goed isoleren, anders doet hij ’s nachts geen oog dicht.”

Ze woonden hier al sinds een jaar of drie, lichtte de vrouw van het echtpaar toe. Het beviel gewéldig. Maar zij hadden dan ook voor een heel andere wijk gekozen. „Zo’n leuk oud buurtje, weetuwel. Waar de mensen elkaar nog allemaal kennen. Je krijgt er een soort Centerparcsgevoel.”

„En ’s avonds is het er veilig”, zei de vrouw. „Dat is in deze tijd ook veel waard. In de Vogelwijk staat nog niet één lantaarnpaal.”

„Ze hebben uw jongen er toch niet te veel voor laten betalen?” vroeg de man. „Ik ken iemand die daar vijf ton moest betalen voor een huis waar na een paar maanden de schimmel op de muren stond.”

„Het is er erg drassig”, zei zijn vrouw.

„Daar bemoei ik me niet mee”, zei de vrouw, „hij is oud en wijs genoeg.” Ze zei het met een zekere beschermende trots. Ze propte de luidkeels protesterende plattegrond in haar rugzakje en haastte zich met een korte groet naar de deur.

Het echtpaar keek haar na tot ze uit het zicht verdwenen was.

„Kakbuurt”, zei de vrouw.