Toneelrestauratie

Het gesubsidieerde schouwburgtoneel is vermoeid. Grote gezelschappen zijn versplinterd en sinds 2002 loopt het aantal bezoekers terug, vooral voor grotezaalproducties. Schouwburgen brengen musicals en cabaret, maar boeken steeds minder vaak toneel omdat er weinig publiek op af komt. De vernieuwing is zo sterk bureaucratisch geïnstitutionaliseerd dat het publiek niet meer weet wat het kan verwachten. De overheid legt zich toe op projectsubsidies voor gelegenheidsensembles met nieuwe doelgroepen. Toch ziet commercieel producent Joop van den Ende wel brood in het klassieke grote toneel. Onder de naam De Toneelmeesters gaat hij klassiekers van Bertolt Brecht en Tsjechow brengen voor een groot publiek. Er zijn al succesvolle commerciële theaterproducties van anderen.

De grote gesubsidieerde toneelgezelschappen zijn duiventillen geworden waar de acteurs per productie in- en uitvliegen en de artistiek leider met zijn gevolg de enige stabiele factor is. Flexibele acteurs besparen geld, want ze hoeven niet in vaste dienst te worden aangenomen. Maar het nadeel is dat ze uitverkochte voorstellingen niet kunnen blijven brengen ondanks de vraag van het publiek. De flexibele acteurs zijn dan namelijk elders al geboekt. En als een gezelschap met een mislukte productie eerder ophoudt, moeten de tijdelijke acteurs langer voor niets worden doorbetaald. Dat is een ongelukkig systeem.

Het is daarom een goed plan van de gezelschappen om meer houvast te zoeken bij vaste acteurs en een vast theater om in te spelen. Eind vorig jaar namen elf grote toneelgezelschappen zich dat in een nota voor. Dat maakt het gemakkelijker om succesvolle stukken langer te laten doorgaan in het eigen theater of in een andere schouwburg.

Toch is het een illusie te denken dat toneelgezelschappen de prominente status van voor de jaren zestig kunnen heroveren. Er is te veel concurrentie van ander vermaak. Het publiek is verwender. Voor elf grote gezelschappen met vast personeel is bovendien te weinig subsidiegeld. Aan grote toneeltalenten wordt ook door televisie en film getrokken die daar veel geld voor over hebben. Gezelschappen die zelf niet in de file willen staan voor een toernee, kunnen ook niet verwachten dat het publiek dat wel gaat doen om hen in Eindhoven of Arnhem op te zoeken. Alleen in een grote stad als Amsterdam is zo’n avondje uit de moeite waard.

Van restauratie kan geen sprake zijn. Ten onrechte wordt uitgevaren tegen de Actie Tomaat, op touw gezet tegen het verstarde, theatrale toneelbestel van 1969. Daar zijn belangrijke nieuwe, internationaal bekende gezelschappen uit voortgekomen zoals het inmiddels ter ziele gegane Werktheater of de Mexicaanse Hond. Nog steeds speelt veel interessant toneel zich buiten de schouwburg af in kleine theaters door gezelschappen die voor weinig subsidiegeld bij elkaar blijven en verrassende producties maken. Het gesubsidieerde schouwburgtoneel heeft concurrentie nodig, van kleine theaters en van commerciële producties. Het gezelschap dat dit aan kan, verdient het bis bis van stabiliteit en steun.