‘Ik zie de idiotie van het leven’

In de toneelbewerking van Bernlefs roman ‘Vallende ster’ speelt René van ’t Hof de stervende Wim Witteman.

Van ’t Hof: „Ik maak van Witteman een raadsel.”

„De maquette van een voorstelling is altijd het mooiste”, zegt acteur René van ’t Hof (1956). Hij wijst op de denkbeeldige maquette die voor ons op het Amsterdamse cafétafeltje staat. Ik zie niets anders dan een glas, een koffiekopje en een leeg flesje. Maar Van ’t Hof wijst naar decor, zijwanden, het toneelgordijn, de rekwisieten. Met schuine blik kijkt hij naar binnen: „Kijk, daar sta ik. Alleen. Ik ben een variétékunstenaar op de avond vlak voor zijn dood.”

De gestiek waarmee Van ’t Hof het toneelbeeld van J. Bernlefs novelle Vallende ster (1989) voor onze ogen oproept, verraadt de mimespeler in hem die hij van oudsher is. Weliswaar slechts twee jaar op de Amsterdamse Theaterschool gestudeerd, afdeling Mime, maar toch. Zijn gebaren tonen finesse. Met scherpe blik beziet hij het decor. Hij wijst een poppetje aan: dat is hijzelf als solospeler. Het Rotterdamse gezelschap Onafhankelijk Toneel brengt de theaterversie in de regie van Mirjam Koen.

Bernlefs novelle beschrijft de laatste uren van Wim Witteman, variétékunstenaar. Hij verkeert in coma. Vallende ster vormt samen met het befaamde Hersenschimmen (1984) en Eclips (1993) een trilogie over ouderdom, het vergeten, de vlietende grens tussen werkelijkheid en koortsachtige verbeelding. „Hij ligt in een ziekenhuisbed, maar er komt geen bed op het toneel”, waarschuwt Van ’t Hof. „Dat is te realistisch.”

Helemaal alleen staat Van ’t Hof niet op het toneel. In het echt houdt bewerker en decorontwerper Gerrit Timmers zich achter de gordijnen schuil. Wanneer Witteman zijn tekst dreigt te vergeten en zich richt tot de souffleur, schuift Timmers van opzij witte vellen papier de bühne op. Want tekstvast is de comateuze toneelkunstenaar allang niet meer.

Timmers wilde aanvankelijk Vallende ster opvoeren in de grote zaal van de schouwburg, omdat hij het lijsttoneel passend vindt bij de tekst: „Ik zag René daar staan op dat immense podium voor een zaal van zeshonderd mensen. Dat zou de mentale eenzaamheid van Witteman alleen maar vergroten. Uiteindelijk kozen we toch voor onze eigen zaal in Rotterdam die 16 meter breed en 30 meter diep is. Ook niet gering.”

Van ’t Hof zegt: „Er gebeurt niets en toch van alles. Het gaat om het overbrengen van wanhoop. Soms lukt het leven niet, maar iedereen doet zijn best er iets van te maken. Als Wim Witteman zweef ik boven een niemandsland tussen leven en dood.” De acteur spreidt zijn armen, blikt als een roofvogel naar beneden. Hij schiet in zijn rol.

„In het decor staan schotten met ladders ertegenaan die nergens naartoe leiden, gewoon, de leegte in”, legt Timmers uit. „De tekst van Bernlef is intens. Die kun je niet zomaar visualiseren. Leven en dood schuiven in elkaar. In de slotzin staat dat het ‘voorgordijn ritselend openglijdt’. Je zou dat kunnen interpreteren als een nieuw leven voor Witteman. Maar het is anders. Het decor met de trappen zou je ook kunnen beschouwen als Wittemans hoofd. Hij zit in zijn gedachten gevangen, hij zou willen ontsnappen maar kan het niet.”

Van ’t Hof was acteur bij gezelschappen als Carrousel en Carver. „Ik neem altijd mezelf mee”, antwoordt hij op mijn vraag hoe hij de variété-artiest Witteman speelt. „Ik houd erg van Leen Jongewaard en van revuekunstenaars als Snip en Snap. Ik heb veel van hen geleerd. De verbinding van het komische met het droeve. Jongewaard is gevoelig, open, emotioneel. De beroemde scène van Snip en Snap over ‘het is niet je broer, maar wel de zoon van je vader’ kan ik enorm bewonderen. Bij Carver repeteren we voor een video. Dan proberen we uit, testen scènes, kijken of het werkt.”

Van ’t Hof vertolkte bij Carver rollen als een verregend vogeltje, een miezerige man die zijn buurvrouw begluurt, een folkloredanser en nog veel meer. In de film Flodder speelde hij Kees. Onvergetelijk. De man is helemaal een Van ’t Hof die acteert volgens de stelregel: „Ik zie de idiotie van het leven.”

De artiest Witteman is niet alleen pretkunstenaar. Als kind hield hij zijn autistische broertje Peter vast aan een touw om hem te begeleiden. Peter pleegde zelfmoord. Witteman is bedolven door schuld. Zoals Peter en hij aan elkaar verbonden waren, zo is het tweetal Lucky en Pozzo uit Wachten op Godot van Beckett aan elkaar geketend. In de novelle krijgt Witteman een uitnodiging van een groot gezelschap mee te doen in Godot. Eerder speelde hij, ook van Beckett, het stuk A Monologue. Maar tijdens het optreden kreeg hij een attaque, verloor zijn geheugen. Sindsdien is hij bang zijn tekst kwijt te raken en vertrouwt op de souffleur in het ouderwetse, half verscholen hokje voor op het toneel. „Maar”, besluiten bewerker en acteur, „die souffleur is er natuurlijk niet. Hij beeldt zich dat in. Hij spreekt, zoals Bernlef schrijft, met een ‘binnenstem’. Niemand kan hem horen. Dat maakt hem zo eenzaam op het lege toneel.”

Van ’t Hof: „Ik vraag aan de zaal of vader, moeder en Peter zich daar bevinden. Mijn laatste woorden zijn prachtig, ik huiver telkens als ik ze uitspreek: ‘Mama? Daar, aan de andere kant zijn ze, in het donker, allemaal.’ ”

Bernlef voegt er een nog een regel aan toe: „Ritselend glijdt het voordoek open.”

Zo eindigt de novelle als een regieaanwijzing. Literatuur en toneel vallen samen. René van ’t Hof zegt: „Ik maak van Witteman een raadsel. Ik zal nooit spelen dat hij ziek is. Hij kan niet wegvluchten uit zijn gedachten, dat is het.”