‘Ik heb amper drukmiddelen’

De rampenbestrijding in Neder-land is niet op orde. Een passage in het regeerakkoord frustreert een wetsvoorstel dat tot verbetering moet leiden – tot ongenoegen van de nieuwe minister Ter Horst.

. „Uiteindelijk maak je een afweging”, zegt hoogleraar Crisisbeheersing Ira Helsloot. „Een afweging tussen het risico en het geld dat je er voor over hebt om dat risico uit te sluiten.”

Vorig najaar berichtten de commissarissen van de Koningin over het niveau van de rampenbestrijding door de 25 ‘veiligheidsregio’s’ die Nederland telt. De teneur is somber. Daar waar veel regio’s het risico lopen op grote calamiteiten als dijkdoorbraken of ongelukken met giftige stoffen, is geen enkele regio hier adequaat op voorbereid. Op de schaal van de zogenoemde ‘Leidraad maatramp’ zitten alleen de regio’s Amsterdam en Rotterdam op niveau ‘3’. De overgrote meerderheid kan alleen een ‘maatramp 1’ aan – een flink verkeersongeluk. Een regio als Kennemerland, vanaf 2008 verantwoordelijk voor Schiphol, zit daar nog onder.

Hoogleraar Helsloot wil graag een nuance aanbrengen. Zijn eigen regio – Helsloot is ook verantwoordelijk voor rampenbestrijding bij de regionale brandweer van Amsterdam – concludeert dat het niet op permanente basis voorbereid kan zijn op rampen van niveau ‘5’. Een kwestie van geld, zegt Helsloot. „Maar daarmee hebben we ook bewust gezegd: als een Boeing 747 op de binnenstad neerstort, dan moet je niet verwachten dat we over voldoende ambulances beschikken. Dan moeten we roeien met de riemen die we hebben.”

Maar Helsloot wil de conclusies van de provinciale rapportages niet uitvlakken. „Het algemene beeld is niet best.” Op het ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag was dat al langer bekend. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) onderwerpt de veiligheidsregio’s regelmatig aan controles. Dat onderzoek geeft hetzelfde beeld als de 'bestuurlijke rapportages’ van de provincies.

Het grootste zorgenkind is de brandweer. ‘Brandweerzorg’ is volgens de Brandweerwet uit 1985 primair een taak van de gemeente. Maar de gemeentelijke korpsen presteren onder de maat, concludeerde de IOOV vorige maand. Zo gedogen veel gemeenten veel langere ‘opkomsttijden’ bij brand dan de landelijke norm van acht minuten. Uit het rapport blijkt ook dat de aandacht van gemeentelijke bestuurders voor de brandweer gering is.

Binnenlandse Zaken zou daarom graag zien dat gemeenten taken afstaan aan de regionale brandweer. De regiokorpsen bestaan al vanaf 1985, maar leiden op veel plaatsen nog steeds een marginaal bestaan. Pogingen om die ‘regionalisering’ van de brandweer op vrijwillige basis tot stand te brengen, zijn tot nu toe echter gestuit op weerstand van gemeentelijke bestuurders. Het vorige kabinet heeft daarom de Wet op de Veiligheidsregio’s ingediend. Die wet verplicht gemeenten om bepaalde brandweertaken binnen de regio te organiseren. Maar het is de vraag of de wet in de huidige vorm het haalt. In het regeerakkoord staat dat gemeenten alleen op vrijwíllige basis taken hoeven af te staan.

De nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Guusje ter Horst (PvdA), voelt zich „gebonden aan het regeerakkoord”. Maar ze zegt ook iets opmerkelijks over dat ene zinnetje over de brandweer in het regeerakkoord. „Ik betreur dat. Ik denk dat de kans op adequate brandweerzorg groter is als je dat regionaal organiseert.”

Ter Horst realiseert zich: zonder de Wet op de veiligheidsregio’s kan ze weinig afdwingen. „Ik heb nauwelijks drukmiddelen. Rampenbestrijding en brandweerzorg zijn lokale taken die ook lokaal worden gefinancierd. En wie betaalt, bepaalt. Ik zal het moeten doen met overleg.”

Dat overleg zal moeizaam gaan. Als voormalig burgemeester van Nijmegen en wethouder van Amsterdam kent Ter Horst de lokale gevoeligheden. De weerstand van bestuurders heeft met het verleden te maken, toen de politie werd geregionaliseerd. „Veel burgemeesters hadden toen het gevoel, hun sturing over de politie te zijn kwijt geraakt. En ze zijn bang dat er nu hetzelfde dreigt te gebeuren met hun brandweerkorps.” Een ander probleem is de specifieke structuur van de brandweer, die vooral in landelijke gebieden drijft op vrijwilligers. „Veel burgemeesters zijn bang dat die vrijwilligers zullen afhaken’’, zegt Ter Horst. „Maar ik denk dat het heel goed mogelijk is om de brandweer regionaal te organiseren, zonder dat de binding aan dorp of stad verloren gaat.”

Maar er moet meer gebeuren, vindt Ter Horst. Politie, brandweer en ambulancediensten moeten nu samen de veiligheid waarborgen binnen de veiligheidsregio. „Vaak zijn dat verkokerde organisaties. Eigenlijk zou je een hele nieuwe veiligheidsorganisatie moeten opbouwen. Maar dan moeten de de hoofdcommissarissen en brandweercommandanten wel accepteren dat niet zij, maar een directeur veiligheid bepaalt wie er aan de gang moet.”

Het zijn ambitieuze plannen. Plannen bovendien die de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken vrijwel uitsluitend op basis van haar eigen overredingskracht tot stand moet brengen. „Ik kan het niet wettelijk regelen. Dus moet het op een andere manier.” Ter Horst wil een bestuursakkoord sluiten met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). „Tijdens dat overleg zal de regionalisering van de brandweer hoog op de agenda staan.”

Overleg dus. Maar dat is precies wat er de afgelopen dertig jaar geprobeerd is, zegt Fred Fleurke, hoogleraar bestuurskunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. In opdracht van de IOOV onderzocht hij hoe de brandweer wordt bestuurd. „Als de minister nu zegt: ik ga dat via overleg regelen, dan herhaalt de geschiedenis zich.” Het huidige brandweerstelsel werkt niet, zegt de hoogleraar. „En uiteindelijk is de minister eindverantwoordelijk voor een goed werkend brandweerstelsel.”