Een aanraakarrangement met Ali

Over zichzelf schrijven doet een journalist niet. Behalve als hij onverwacht bokslegende Muhammad Ali mag toespreken op zijn verjaardag, in zijn eigen stad in een volle zaal.

Ward op den Brouw

„Happy birthday to you, happy birthday to you, happy birthday dear Muhammad, happy birthday to you.”

Uit zes landen en 21 staten in de Verenigde Staten waren de bezoekers van Muhammad Ali’s verlate verjaardagsfeestje gisteren naar Louisville gekomen, voor een bijeenkomst in het Muhammad Ali Center in Louisville (Kentucky) waar Ali’s legendarische gevecht uit 1974 in Zaïre tegen George Foreman nog eens zou worden vertoond. In aanwezigheid van de bokslegende die twee maanden geleden 65 jaar werd en zijn toenmalige trainer, de 83-jarige Angelo Dundee.

De directeur van het Center, Michael J. Fox, zette het verjaardagslied in. Onder de aanwezigen die meezongen, waren de broer van Ali, Rahaman, Ali’s vrouw Lonnie, Leon Gast die de met een Oscar bekroonde documentaire uit 1996 When we were kings maakte, en een van Ali’s beste vrienden, de Amerikaanse fotograaf Howard Bingham.

Duizend dollar had ik neergeteld voor een kaartje. Voor vijfhonderd dollar kon je erbij zijn, bij de ‘replay’ van de Rumble in the Jungle inclusief brunch; voor 500 dollar meer was er een meet and greet met de drievoudig wereldkampioen. Een ‘aanraakarrangement’, zoals een collega in Nederland het noemde. En wie Ali gistermiddag van heel dichtbij wilde meemaken, kon voor 2.500 dollar aanschuiven aan de tafel van ‘The Champ’. De opbrengst van het evenement is bestemd voor de exploitatie van het anderhalf jaar geleden geopende Ali Center.

Voordat ik net als de andere 1.000-dollargasten op de tweede verdieping van het complex op de foto mocht met de hoofdrolspeler, vroeg directeur Fox, die ik kende van een interview vorig jaar, of ik Ali tijdens de bijeenkomst zou willen vertellen hoe de mensen in Nederland tegen hem aankijken en wat de oorsprong is van mijn fascinatie voor de oude kampioen.

Anderhalf uur later, op de zesde verdieping met uitzicht over de rivier de Ohio, gaf Fox na de opening van het evenement ten overstaan van ongeveer tweehonderd gasten eerst het woord aan een Australiër die met twee familieleden de lange reis naar Kentucky had ondernomen. Zaterdag moesten ze in New York hun reisplannen wijzigen, omdat het vliegverkeer door sneeuw was lamgelegd. Ze huurden een auto en begonnen aan een dertien uur lange rit westwaarts, om Ali te zien.

Toen was het mijn beurt om Ali toe te spreken. [Vervolg ALI: pagina 15]

ALI

Applaus als Ali Foreman knock-out slaat

[Vervolg van pagina 1] In een paar minuten vertelde ik hoe ik in de jaren zeventig als jongen van veertien midden in de nacht was opgestaan om zijn gevecht tegen Foreman in Zaïre te kunnen zien, zoals bijna iedereen in Nederland. En hoe ik hoopte dat hij een pak slaag zou krijgen, omdat ik niet van zijn grote mond hield. Get whupped, was de uitdrukking die ik vrij naar Ali gebruikte.

Ali, ongeveer tien meter verder aan tafel naast zijn vrouw, keek me met grote ogen aan terwijl er om hem heen werd gelachen. Ik voegde er aan toe dat ik toen te jong was om te beseffen dat hij The Greatest was; niet alleen de grootste bokser, ook de grootste sportman ooit, en een bijzonder mens. Dat ik hem in 1996 voor het eerst ‘in het echt’ zag, toen hij in Atlanta het olympisch vuur ontstak. En dat ik toen kippenvel had. En dat ik hem vorig jaar bij een eerste bezoek aan het Ali Center net had gemist.

„Als je hier vier dagen eerder was geweest”, zei directeur Fox toen, „had ik je aan hem kunnen voorstellen”. Dat ik dacht dat Fox destijds een grap maakte. Dat ik een buitenkans had gemist en dat ik nu revanche kon nemen. Dat dit – met een knipoog naar mijn vrouw – na m’n trouwdag de mooiste gebeurtenis in mijn leven was. Tot slot wenste ik Ali het allerbeste. Op het gezicht van de man die al meer dan 25 jaar de ziekte van Parkinson heeft, stond een bescheiden glimlach.

De derde en laatste buitenlandse spreker, een dertiger uit Groot-Brittannië, vertelde hoe hij Ali bewonderde en van hem hield. Hij kon met moeite z’n tranen bedwingen. Tot slot mocht Ali’s enige broer, Rahaman, nog een paar woorden tot zijn twee jaar oudere broer richten. Het werd ook hem al gauw te veel, en de man die voor zijn bekering tot moslim Rudolph (Rudy) Clay heette, hield het bij een warme omhelzing met zijn broer die in 1942 als Cassius Clay z’n leven in Louisville begon.

Vlak voordat het gevecht tegen Foreman op het projectiescherm begon, was er een telefonische verbinding met George Foreman. De man die in 1974 als wereldkampioen in het zwaargewicht en als de grote favoriet aan het gevecht in Kinshasa begon, was uitgenodigd, maar moest verstek laten gaan. „Ik wil revanche”, zei hij schertsend, voordat hij terugblikte op het volgens velen grootste evenement uit de sportgeschiedenis. Weinig boksers die zulke krachtige stoten konden uitdelen als knockout-specialist Foreman, maar in de achtste ronde werd hij tegen het canvas geslagen en had Ali de titel terug die hem na z’n dienstweigering in 1967 was afgenomen. En als hij het over had mogen doen, luidde de slotvraag aan Foreman, welke tactiek zou hij dan hebben gevolgd? Hij hoefde geen seconde na te denken. „Ik had hem nooit kunnen verslaan. No way.”

Even later ontrolde het historische gevecht zich op het scherm, soms onderbroken door commentaar van de mannen die er in 1974 in Zaïre bij waren – trainer Dundee, documentairemaker Gast en fotograaf Bingham. Dundee over Ali’s toewijding: „Hij trainde nog meer dan hij praatte.”

Ali volgde zijn eigen bewegingen nauwlettend, terwijl Lonnie liefdevol met haar hand over zijn rug streelde. Applaus in de zaal toen Ali zijn opponent in het defensief drong, een staande ovatie voor de kampioen toen hij Foreman (technisch) knock-out sloeg.

Na afloop vertelde Lonnie dat het niet goed gaat met haar man. „Maar we hebben het onder controle. Volgens de dokter heeft hij de polsslag van een tiener, en een oersterk hart.” Oud-trainer Dundee over Muhammad Ali’s laatste uitdaging: „Als iemand Parkinson kan verslaan, is hij het.”