Zinkpokhout

Karel Knip

Jong sterven, dat is het beste wat een mens voor het milieu kan doen. Jong sterven, geen kinderen en huisdieren nemen en diep vegetarisch leven. Wonen bij het werk en ontspannen rond de woning. Dikke trui aan, vroeg naar bed. En heel veel spaarlampen installeren.

In de praktijk komt het daar niet van: men leeft erop los. Zo ontstaat het CO2-schuldgevoel, het drukkend besef dat men tekort schiet in klimaatneutraliteit. Dat men bijdraagt aan de gestage stijging van de concentratie CO2 in de atmosfeer met alle gevolgen van dien: een uitzettende en verzurende zee, wegzakkende atollen en nog veel meer. Er zijn mensen die deze last niet kunnen dragen.

Jonge zakenlui proberen daar nu een mouw aan te passen. Zij grossieren in compensatiemaatregelen. Men kan een bos laten aanleggen als aflaat voor een midweek in Mexico of een trip naar Thailand of de aanschaf van een SUV, een hummer of een landrover. Dat bos ligt dan in Tsjechië of in Oeganda. Je ziet het niet, je ruikt het niet.

Hoe zinvol en hoe gewenst is die compenserende bosbouw die zo schreeuwt om bedrog en dubbeltelling? Het kan geen kwaad daarover na te denken voor het te laat is. Besef dat de zakenlui geen natuurparken met oerossen en grote grazers gaan aanleggen. Er moet vooral snel en goedkoop worden gecompenseerd. Besef ook dat een bos maar in een betrekkelijk korte periode van zijn leven veel CO2 vastlegt. In de eerste jaren, als de eikels of dennenzaadjes nog maar net gekiemd, zijn stelt het sowieso niets voor. Dan volgen decennia waarin de jaarlijkse CO2-opname in de buurt komt van die van maïs en suikerbieten, en daarna vlakt het weer snel af. Na een jaar of 80 of 100 is een bos volgroeid. Zo’n bos doet netto niets meer met CO2.

Wat dan? Laten staan? Zo leuk zijn die eucalyptusbossen en sparrenplantages niet. En het zou, als iedereen voor zijn vakantiereizen gaat compenseren, leiden tot een absurd ruimtebeslag. Het is ook helemaal niet de bedoeling van de jonge groene zakenlui: zodra het bos volgroeid is moet het de elektriciteitscentrale in. Die hoeft dan geen steenkool te verbranden en zo is dan, honderd jaar na dato, de rekening definitief vereffend. Er is uitstoot van fossiele koolstof vermeden. Zonder dat bos was de CO2-concentratie sneller gestegen. Op de kale kapvlakte wordt nieuw bos aangelegd voor weer andere reizen.

Het bedrieglijke aan de operatie is dat de CO2-concentratie zonder die voorafgaande reizen net zo weinig was gestegen en dat dat bovendien flink had gescheeld aan roet, NOx, condenssporen, lawaai en drukte. Het bos compenseert maar voor één aspect van de reis. En verder is het nog maar de vraag of de elektriciteitssector wel zit te wachten op al dat hout.

Het is helemaal niet zo moeilijk om die tijdelijke CO2 opslag in groeiend bos in te ruilen voor definitieve opslag van CO2. Een vorige chef van deze wetenschapsbijlage pleit al jaren in intieme kring voor herinvoering van het gebruik van houten heipalen bij de aanleg van woningen. Houten heipalen hebben het eeuwige leven: half Amsterdam rust op een ondergronds bos.

Wie een boom van 12 meter de grond in slaat bergt makkelijk 250 kilo koolstof definitief in de bodem op. Een hele ton koolstof met 4 palen en een kiloton met 4.000. In een flinke vinex-wijk kun je die makkelijk kwijt. En de houten heipaal snijdt aan twee kanten, want hij voorkomt het vrijkomen van CO2 bij de productie van cement voor de gangbare betonnen palen.

Zo kwam het gesprek op het onderwaterwoud dat de ex-chef ooit beschreven kreeg tijdens een bosreis in Canada. Bij Vancouver in het Canadese westen wordt traditioneel veel hout in vlotten bijeengebracht voor verzaging of verpulping in fabrieken aan de kust. Maar niet alle boomstammen bereiken de fabriek. Sommige hebben onderweg zoveel water opgenomen dat ze in het zicht van de zagerij zinken. Tussen Vancouver en Vancouver Island ligt de zeebodem bezaaid met Oregon pine dat nooit verteerde. Of liever gezegd: hij staat bezaaid, want duikers stelden vast dat de balken, die natuurlijk maar zelden aan beide einden even zwaar zijn, vaak rechtop in de modder belanden. Er zijn plannen dit bos opnieuw te rooien.

Een en ander wees het AW-centrum de weg naar een heel nieuwe aanpak van het CO2-probleem: de actieve onttrekking van CO2 aan de atmosfeer door productie van zwaar hout dat op geschikte plaatsen in zee wordt afgezonken. De voorwaarde is dat de stammen landen op anaerobe, dus zuurstofloze bodem, want daar duurt de vertering makkelijk een millennium. Die bodems zijn er niet veel, want stromingen voeren op veel plaatsen veel zuurstof naar de diepte. Vandaar dat er nooit boomstammen op diepzeefoto’s staan terwijl er jaarlijks toch ontelbare stammen naar de bodem moeten zakken.

Maar ze zijn er wel, die anaerobe bodems. In de Zwarte Zee, in de Oostzee, het zal even zoeken zijn. Maar meer voorwerk is dan ook nauwelijks nodig. Aan hout dat al in verse toestand een hogere dichtheid heeft dan zeewater (1,03 kg/dm3 ) is geen gebrek. Het mooist is natuurlijk pokhout met zijn dichtheid van rond de 1,25, al kan het zijn dat dat wat traag groeit. Anderzijds is het aannemelijk dat dit zware hout al van zichzelf nauwelijks verteert. Vergelijk de pokhout-depositie met dat rare CO2-heen-en-weer van die jonge groene zakenlui. Het AW-pokhoutproject beoogt niets minder dan aanleg van nieuwe kolenlagen als compensatie voor het verstoken van de oude. Alle oude structuren blijven in tact.