‘Zijn gezichtje kan ik zo uittekenen’

‘Het liep tegen mijn negentiende verjaardag en mijn moeder vroeg wat ik wilde hebben. ‘Doe maar babykleertjes’, zei ik. Want ik was zwanger en ik durfde het haar niet op een normale manier te vertellen. Mijn moeder is vervolgens huilend in bed gaan liggen en dat heeft ze drie dagen volgehouden. Want het waren de jaren zestig en een dochter die ongehuwd zwanger raakte, dat was de ergste schande die je kon overkomen.

Als kind intrigeerde het me wanneer er werd gefluisterd over vrouwen die niet in het wit trouwden. Ik vroeg me af wat betekende. Mijn moeder fluisterde mee met dat soort verhalen. Maar nu kwam haar eigen dochter haar vertellen dat ze zwanger was. En ik kon niet zeggen van wie. Want hij was de baas van de kapsalon waar ik werkte en hij was getrouwd. Ik bleef loyaal aan hem, want ik dacht dat dat zo hoorde.

Ik had het hem wel verteld dat ik niet ongesteld was geworden en ’s ochtends misselijk was. Hij had me meegenomen naar een arts die bereid was een abortus te doen. Dat bezoek aan die arts was echt vreselijk. Ik kwam in een vies kamertje terecht. Hij deed het inwendig onderzoek zo ruw dat ik begon te vloeien. Daarna zei hij dat het hiermee wel zou afkomen. Maar ik wist dat het niet zo was. Je lichaam houdt je niet voor de gek.

Mijn moeder besloot in overleg met onze huisarts dat ik het kind moest uitdragen en vervolgens moest afstaan. Niemand mocht van mijn zwangerschap weten, dus moest ik het huis uit. Voor meisjes zoals ik bestonden toen tehuizen maar gelukkig nam mijn getrouwde zus mij in huis. Ze woonde in Spijkenisse en dat was in de jaren zestig heel ver weg van Rotterdam. De kans dat een bekende mij in zwangere staat zou tegenkomen was nihil.

Als ik er op terugkijk, verbaas ik me erover dat ik nooit met mijn zusje en zwager heb gesproken over de vraag of afstand doen wel de juiste oplossing was. Maar de huisarts was nu eenmaal een autoriteit in die tijd. Hij wist het allemaal het beste. En onze huisarts was katholiek en abortus was toen illegaal. Dat gebeurde in achterkamertjes. Mijn moeder vertelde me dat ongehuwd zwangere vrouwen soms zonder verdoving werden gecuretteerd. Dat was de straf die stond op ongehuwd zwanger worden. Ik prentte mezelf in dat ik ook moest worden gestraft. Ik zou nooit meer kinderen krijgen, dat stond voor mij vast. Dat was de straf die ik mezelf oplegde.

De tijd die ik bij mijn zusje doorbracht, was fijn. Mijn vriend bleef nog een tijdje in beeld. Hij bracht me naar het ziekenhuis voor controle en ik maakte mezelf wijs dat hij tegen de tijd dat het kind er zou zijn, wel een oplossing zou hebben. Hij bleef beloven dat hij zijn vrouw zou verlaten voor mij. Alleen het kind was nu even een struikelblok, zei hij. Allemaal leugens natuurlijk.

En toen kwam de bevalling. Hoe ik ook in mijn geheugen graaf, ik kan me niet herinneren hoe ik in het ziekenhuis ben beland. Dat gedeelte is gewoon gewist. Ik lig ineens in die verloskamer, helemaal in mijn eentje. Mijn zusje mocht er niet bijblijven. Dat mocht gewoon niet en in die tijd gehoorzaamde je.

Het was een jongetje. Ik mocht hem zien. Ik mocht hem een naam geven. Maar ik kon alleen maar huilen. Ik wist dat hij niet van mij was, dat ik hem moest afstaan. Voordat je kind geboren wordt, heb je al een band met hem. Je voelt hem bewegen in je buik. Je doet al spelletjes met hem. Hij is al jouw kind. Daarom is afstand doen een opoffering die je niet van een vrouw mag vragen. Het is onmenselijk.

Aan de vrouwen op de zaal was verteld dat mijn kind dood ter wereld was gekomen. Achteraf denk ik: zouden ze dat geloofd hebben? Na een paar dagen riep de gynaecoloog me bij zich en zei dat mijn zoontje de volgende dag naar een kindertehuis zou gaan in afwachting van adoptie. Hij bood me zijn kamer aan, zodat ik een paar uur in alle rust met mijn zoontje kon doorbrengen. Ik ben die arts daar nu nog dankbaar voor. Want dat beeld van dat kind in mijn armen is me altijd bijgebleven. Ik kan zijn gezichtje zo uittekenen.

Toen brachten ze mijn zoon weg. Daar wil ik niet meer aan denken. Dat kun je maar beter ver weg stoppen. Tien dagen later nam ik een taxi naar huis en ging ik aan het werk alsof er niets was gebeurd. Thuis werd er geen woord over gezegd. Maar ik had er vreselijk verdriet van. Je kunt een zwembad vullen met de tranen die ik toen heb vergoten.

Ik heb nog geprobeerd of ik het kind kon houden. Ik heb naar woonruimte gezocht waar ik samen met mijn zoontje kon wonen. Maar dat was in de jaren zestig onmogelijk. Niemand wilde een ongehuwde moeder hebben. Ik vond wel woonruimte, maar daar mocht ik slechts alleen wonen. Niet met mijn kind.

Op een gegeven moment belde mijn maatschappelijk werkster met de mededeling dat ik moest opschieten met het zoeken van woonruimte, want ze had adoptieouders gevonden. Ik zei: dan wil ik hen eerst ontmoeten. Dat is ook gebeurd: ik heb hen ontmoet in een café in Rotterdam. Maar ik had al verloren voor ik binnen was. Ik was nog een meisje en zij waren volwassen mensen. Alles was al uitgestippeld. In die tijd werd alle meisjes wijsgemaakt: afstand doen is het beste. En daar wil onze regering nu naar terug.

Ik ben toen afgegleden in een diepe depressie. Mijn moeder zag het en ze wilde me helpen maar ik liet het niet toe. Ik nam het haar kwalijk dat ze me had gedwongen mijn kind af te staan. Vijf jaar later kwam ik de liefde van mijn leven tegen. Hij wilde ook geen kinderen, dat kwam mooi uit. Hij nam me mee naar het buitenland en dat was heerlijk: weg van alles en iedereen.

Maar na vijftien jaar werd ik toch zwanger. Van een tweeling, nota bene. Tijdens mijn zwangerschap kreeg ik weer last van depressies, maar er was geen arts, geen hulpverlener die de link legde naar het feit dat ik ooit afstand had moeten doen van mijn kind. Ze hadden het over hormonen en dat sommige vrouwen een prenatale in plaats van een postnatale depressie hadden. Die depressies waren over toen mijn kinderen geboren werden. Want ik mocht ze houden! Ik was zo gelukkig! In het kraambed zei ik tegen mijn man: ik wil ook een derde. Die is er gekomen.

Met mijn moeder heb ik het weer bijgelegd. Toen ik zelf kinderen had, begreep ik wat ik voor haar moest hebben betekend. Ik heb haar zelfs in huis genomen toen ze terminaal ziek was. Ik heb haar begeleid bij het sterven, maar we hebben nooit meer gepraat over vroeger. Jammer hè? Ik kon het niet. Het was geblokkeerd.

Vier jaar geleden kreeg ik plotseling een brief dat mijn zoon contact met mij wilde. Ik dacht dat mijn wereld verging. Ik heb die brief in mijn tas geduwd in de hoop dat hij vanzelf zou verdwijnen. Ik was zó bang voor wat er zou gebeuren als ik het kind om wie ik zoveel verdriet had gehad in mijn leven zou toelaten. Maar het was niet meer tegen te houden. We hebben elkaar ontmoet. Dat was een wonderlijke ervaring. Er komt opeens een volwassen man binnen, een volkomen vreemde. En toch herkende ik van alles. Ik herkende mijn kinderen in hem, mijn vader, mijn opa én de man die me zwanger had gemaakt. Ik voelde me de koning te rijk.

De euforie was van korte duur. Door het weerzien met mijn kind kwamen alle gevoelens die ik nooit had verwerkt weer naar boven. Ik liep volledig vast. En mijn omgeving wist van niets, want ik had mijn vriendinnen nooit iets verteld. Ik had iets gedaan wat je als vrouw niet kúnt doen: je kind afstaan. Ik dacht dat mijn vriendinnen mij zouden afwijzen als ze de waarheid wisten. Maar toen ik het uiteindelijk toch vertelde, leefden ze juist heel erg met me mee. Eén vriendin zei: ‘Wat heb jij al die tijd met je meegezeuld!’

Ik zocht professionele hulp en mijn psychologe raadde me aan mijn verhaal op te schrijven. Dan zou ik het voorlezen en aan het einde van de behandeling zouden we het door de papierversnipperaar halen. Thuis gekomen heb ik zitten schrijven, schrijven, schrijven. Bij de volgende afspraak zette mijn psychologe grote ogen op: zo’n dik pak papier had ze niet verwacht. Even voorlezen, dat was er niet bij. Ze nam het mee om het thuis te lezen. Toen ze het uit had, zei ze: hier moet je iets mee doen. Hier moet je anderen mee helpen. Toen heb ik een heel boek geschreven. Het heet Een gemiste kans en komt aanstaande zomer uit. Dat schrijven heeft mij geholpen. Alles heeft zijn plaats gekregen.

Maar ik ben nog steeds ontzettend boos op de maatschappij van toen die zo onbarmhartig met ongewenst zwangere meisjes omging. En ik ben boos op de ChristenUnie die nu beweert dat afstand doen een alternatief is voor abortus. Zoiets kunnen alleen mannen bedenken.

Ik vind het vreselijk voor mijn zoon dat ik dit zeg en ik hoop dat hij me wil vergeven, maar als ik toen een abortus had gehad was ik veel minder beschadigd geweest. Een kind dat negen maanden in je buik heeft gezeten, kun je niet zomaar afstaan. Niet zonder psychische schade. Ook het kind zelf loopt schade op, want het groeit op in de veronderstelling: mijn moeder heeft mij niet gewild.

Ik heb jarenlang geleefd met de gedachte dat ik niets voorstelde, want ik was immers een wegwerpmoeder.

Mijn zoon wordt dit jaar veertig.”

Opgetekend door Renate van der Zee