Restauratie moet het publiek terugbrengen

Het regent oproepen voor een beter toneelbestel. Een serie over oorzaken en oplossingen van de crisis. Deel 3 en slot: hoe wil het toneel publiek heroveren?

Zij hebben een droom, de elf grote toneelgroepen van Nederland. In 2009 zien zij een nieuw, bloeiend theaterland verrijzen, met op de heuvels acht stralende ‘stadsgezelschappen’. Grote toneelhuizen die in harmonie samenwerken met de schouwburgen; die in harmonie samenwerken met elkaar; die de nieuwelingen opleiden en laten doorstromen; die stad en ommelanden bedienen met grote mooie toneelstukken die iedereen wil zien. Om de beurt doen ze ieder jaar een grote Shakespeare, in plaats van twee keer dezelfde tegelijk. En waar zij vooral van dromen: volle zalen.

In december schreven de elf grote toneelgezelschappen de nota Naar een nieuw toneelbestel. Deze maand brachten ze hun hervormingsplannen naar buiten, inmiddels gesteund door de Raad voor Cultuur en de schouwburgenvereniging VSCD. Aanleiding is het teruglopende aandeel van gesubsidieerd toneel in de programma’s van de schouwburgen. Reden: het publiek wil liever wat lichters.

Maar hoe gaan die acht grote stadsgezelschappen het tij keren?

Belangrijkste is het terugbrengen van continuïteit. De stadsgezelschappen moeten langer leven en groter worden dan hun leiders. Niet meer: iedere goede artiest zijn eigen bandje, dat ermee stopt als hij eruit stapt. Het publiek moet zich kunnen hechten aan een gezelschap.

Hans Onno van den Berg van schouwburgenvereniging VSCD: „Voorstellingen moeten herkenbaar worden aan een keurmerk, en dat keurmerk is de naam van het gezelschap. Mensen komen niet op Ivo van Hove af, ze komen op Toneelgroep Amsterdam af. Toen artistiek leider Johan Simons vertrok uit Eindhoven, stelde de Volkskrant voor om het gezelschap daar op te heffen. Dat is toch te zot voor woorden! Je gaat toch ook niet het Barlaeus gymnasium dichtgooien omdat de rector weggaat en er geen goede rectors meer te vinden zouden zijn?”

Continuïteit moet er ook zijn bij het personeel. Nu werken de meeste gezelschappen met acteurs die per voorstelling worden ingehuurd. Het ensemble, de groep acteurs in vaste dienst, moet terugkeren. Het ensemble is immers de ziel van een gezelschap.

Continuïteit in het aanbod. Een veel gehoorde klacht: mislukte voorstellingen worden maar niet afgevoerd, mooie voorstellingen zijn te snel verdwenen. Te lang als het slecht is, te kort als het goed is. Voorbeeld van het laatste: Cloaca van Maria Goos.

Waarom kan dat niet? Van den Berg: „Anders dan je zou verwachten heeft het verdwijnen van het vaste ensemble geleid tot meer inflexibiliteit. Doordat de acteurs voor een paar maanden één bepaalde voorstelling zijn gecontracteerd, kun je niet makkelijk stoppen met die voorstelling als hij mislukt, om de acteurs wat anders te laten doen. En ernstiger: als iets goed loopt, kun je er niet mee doorgaan omdat de acteurs zijn gevlogen.”

Daarbij komt dat schouwburgen bij gebleken succes dichtgeprogrammeerd zitten. Langer doorspelen kan eigenlijk alleen als een gezelschap een eigen theater heeft. Hernemen in het nieuwe seizoen kan wel. Het NNT-model wordt met belangstelling bekeken: het Groninger gezelschap maakt eerst veel stukken in het eigen theater. Alleen de best geslaagde gaat een seizoen later op reis.

Het hele idee van de stadsgezelschappen (dat woord is trouwens inmiddels stilzwijgend uit de plannen verwijderd omdat de schouwburgen er te veel een „burcht met ophaalbrug” in zagen, vol huismussen die liever in eigen stad spelen en niet meer op reis langs de theaters willen), dat idee dus, riekt naar restauratie. Restauratie van het systeem zoals dat was vóór Aktie Tomaat, de toneelrevolutie van 1969 die het hele toneelbestel veranderde. Vroeger had je immers grote gezelschappen als de Haagse Comedie en de Nederlandse Comedie, die perfect in de hierboven beschreven toekomstdroom zouden passen.

Van den Berg: „Natuurlijk is het restauratie, maar we willen niet alle verworvenheden van de afgelopen veertig jaar terugdraaien, en de gebreken van de tijd ervoor terughalen. De stuipen van het achterhaalde modernisme moeten alleen tot bedaren worden gebracht. En ons plan is slechts een kleine stap richting restauratie. Het grootste gezelschap nu, Toneelgroep Amsterdam, is kleiner dan het kleinste gezelschap toen.”