Prima la musica

Marita, ik wil dat jij een libretto voor me schrijft.” Joan keek me met zijn dwingende en toch weemoedige ogen aan. Ik ken hem al van toen hij nog op het conservatorium zat. Hij kan stenen aan het schreien brengen met zijn viool, hij is componist, dirigent, en bovenal een aardig mens. Joan legde me uit dat hij een opdracht zou krijgen om een cantate te schrijven bij de herdenking van Michiel de Ruyter. Mannenkoor, orkest en een solist. Die zou in Vlissingen uitgevoerd worden, op de begindag van de herdenking, 23 maart 2007. Ik wierp tegen dat ik nog nooit een libretto had geschreven. Dat bleek hij juist te willen. Hij wilde geen gelikte tekstschrijver hebben, hij wilde iemand bij wie hij muzikaliteit in de taal zou vinden, en hij meende dat ik die heb. Dat vleide me. Ik wierp vervolgens tegen dat ik niets van de zeventiende eeuw weet. Ik weet alleen iets van de negentiende eeuw, en zelfs daarin laat ik wel eens steken vallen. “Wat dacht je dan”, zei Joan, “dat de tekstschrijver van Mozarts Entführung iets van Tunis wist, of Monteverdi iets van het oude Griekenland? Het gaat maar om 20 minuten. Er moet iets van De Ruyter en zijn betekenis inzitten, iets over de mythe na zijn dood.” Hij weidde vervolgens uit over de solist die hij al op het oog had en die een prachtige De Ruyter zou kunnen zingen, over het orkest dat hij kan kneden tot de muziek klinkt zoals hij wil en over het sonore Zeeuwse koor. “Dacht je dat ik tijd heb om een cantate te schrijven? Ik geef een pittig mastercollege, ik zit in het faculteitsbestuur.” Mijn verweer klonk steeds dunner, ik hoorde het aan mijn stem. “Het hoeft pas over een paar maanden af, je hebt de zomermaanden nog helemaal.” Toen ik even zweeg, sloeg hij toe: “Je houdt toch van opera! Zou je Verdi geweigerd hebben als die je om een tekst gevraagd had?” Nee, Verdi zou ik niet geweigerd hebben. Zou ik zo hautain zijn om Joan dan wel te weigeren, alleen omdat hij Verdi niet is? Ik beloofde dat ik wat zou gaan lezen over Michiel de Ruyter.

Librettisten moeten wel heel nederige mensen zijn, anders zouden ze zich verhangen. Wie leest er ooit, enkel voor de tekst, het libretto van een opera? Wie, behalve een paar operafreaks, kent de namen van de librettisten bij Mozart, Monteverdi, Verdi, Puccini, Strawinsky, Bellini en wie er verder allemaal schitterende opera’s geschreven hebben? Gottlob Stephanie jr. schreef de tekst van Die Entführung aus dem Serail, had u ooit van hem gehoord? De tekst is dan ook niet te harden: ‘Oh wie will ich triumphieren/

Wenn sie euch zum Richtplatz führen/ Und die Hälse schnüren zu – schnüren zu!’ Heerlijke muziek maar de woorden zijn onverdraaglijk. Wagner schreef zijn teksten zelf, en het is dan ook erbarmelijk ulevellenrijm: ‘Johohoe! Johohohoe! Traft ihr das Schiff im Meere an,/ Blutroth die Segel, schwarz der Mast?/ Auf hohem Bord der bleiche Mann,/ Des Schiffes Herr, wacht ohne Rast./ Hui! – Wie saust der Wind! – Johohe!’, zo zingt Santa in Der fliegende Holländer. Hoe krijg je het je pen uit, en nog erger: hoe krijgt een solist het zijn bek uit! Maar het is ook niet de bedoeling dat een libretto in zichzelf literaire waarde heeft, want dan zou de aandacht van de muziek afgeleid worden. Er is een aardige opera van Richard Strauss die gaat over wat het belangrijkste is: de poëzie of de muziek. Clemens Krauss schreef het libretto, en dat moet een ijdele kerel zijn geweest, dat hij het thema überhaupt aan de orde durfde stellen. Geen nederige librettist, maar een pocher. Het stuk speelt in een salon bij Parijs. Een dichter en een componist zijn beide verliefd op de gravin. Er ontwikkelt zich een heftige discussie: prima le parole, poi la musica, of andersom. Ze komen er natuurlijk niet uit en besluiten samen een opera te schrijven, waarop de gravin dan de knoop moet doorhakken. De opera heeft een open einde, met een gravin die in de spiegel kijkt en haar schouders ophaalt. Capriccio is onlangs in Amsterdam opgevoerd, met een schitterend decor, waarin alles geheel zwart-wit was: de zwart-witte toetsen van de piano, zwarte muzieknoten op wit papier of andersom, geschreven en gedrukte letters, wit op zwart of zwart op wit.

In de vakantie in Italië verdiepte ik me in Michiel de Ruyter. Ik besloot hem als de eenzame held op te voeren die hij aan het eind van zijn leven moet zijn geweest. De oude De Ruyter is interessanter dan de jonge. Zijn einde moet aangrijpend zijn geweest. De Spanjaarden hadden aan de Republiek ondersteuning gevraagd in hun strijd tegen Frankrijk. In de buurt van Napels zou het tot een treffen komen. De Staten vroegen nog eenmaal De Ruyter een vloot aan te voeren, maar ze lieten hem uitvaren met een brak schip, met te weinig volk, te weinig ondersteuning. Op het schip stond hij op eenzame hoogte tegenover de bemanning. Die kreeg van mij een dubbele rol. De mannen voeren de bevelen uit, maar ze spreken ook de stemmen van onze tijd. Ze geloven niet in de verhalen over Michiel de Ruyter in zijn blauw geruite kiel die de toren van Vlissingen beklom en die de Engelse vloot in mootjes hakte. De Ruyter raakte gewond op zijn schip door een kanonskogel. Een week later stierf hij, in de baai van Syracuse. Daar kon ik niets mee. Ik kon de scène alleen maar dramatisch maken als ik hem eerder laat sterven, op de boot. Dat is de dichterlijke vrijheid die ik Van Lennep en Bosboom-Toussaint in de negentiende eeuw in historische romans heb zien toepassen, dus deed ik dat ook.

Ik was in Italië en schreef en keek naar de Middellandse Zee. Op deze zee stierf hij. Ik stelde me voor hoe hij over het water keek – hoe hij stervend besefte hoeveel mensen hij de dood in gejaagd had. De zee moet rood gekleurd hebben van het bloed. Zag hij dat in zijn laatste momenten? Zou Joan de zee in zijn muziek krijgen? Ik twijfelde aan de onderneming, mijn teksten zijn slechts lelijke tekstballonnen, vond ik. Ik sprak de woorden hardop uit en hoorde de vele Nederlandse medeklinkers, terwijl er om me heen Italiaans vloeide. Ik schrapte schrapende woorden: spreken, ernstig, hard, groot, gruwel.

Vanaf een internetcafé stuurde ik het libretto op. Tevreden was ik niet, maar beter kon ik niet. Joan sms’t me: ‘prima tekst, ik ga meteen aan de slag.’ Na enkele weken kwam hij bij me thuis en speelde op de piano de melodie voor. Hij zong de partij van het koor en de solist. Ik kreeg tranen in de ogen van wat er gebeurd was. Zwart-witte letters gingen klinken. Prima le parole, poi la musica, wat een onzin. Alleen letterlijk klopt het. Eerst moeten de woorden er zijn. Dan komt de muziek, en die overstemt alles.