Parco regionale dei Monti Picentini

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in een natuurgebied van de provincie Salerno

Het voorjaar is streng. Het jaagt met straffe wind de nevel over de daken van het bergdorp Acerno heen, tegen de bergen op. Daar blijven de nevelbulten hangen en ik loop in de wolken.

Het licht breekt erdoor. Het bevoelt de honderden tamme kastanjebomen op de hellingen, het aait het smalle vochtige pad. Dat pad is bezaaid met de bestekelde doppen van de kastanjes – net of er duizenden bruine mini-egels op kroegentocht zijn.

We volgen de witrode markeringen van een officiële wandelroute, Fijn. Wandelen moet geen spoorzoeken worden.

Het is hier groots en grillig. Paden en paadjes kruisen elkaar en nemen vreemde wendingen. Naar het noorden lopen kan wel eens enige tijd in oostelijke richting gebeuren – volg de markeringen en dan komt dat weer goed.

De klim over glad blad en rollende scherpe stenen is glibberig en moet in alle rust gebeuren, wat de gelegenheid geeft om uitvoerig dit machtige natuurgebied in te kijken. Enorme loofbomen grijpen zich vast aan de rotsen. Veel takken en hun niet kinderachtige twijgconstructies wachten nog op nieuw blad, al wordt er ook soms al een nieuwe groene pothoed gedragen. De naaktheid van de takken benadrukt de bodem van dit bos, vol met spichtig lila van krokussen en met de citroenvlindergele bloemen met donkergele hartjes waar ik de naam niet van weet. Vooral de krokussen groeien overal. „Je trapt erop”, verwijt man me, maar ik kon niet anders, ik probeerde ze te ontwijken, echt.

De wind loeit, de mist waait aan en nestelt zich. De flarden tussen de stammen worden corpulent en verhinderen elk doorzicht. Alles druipt nu. De kale takken lijken wel scherper gehoekt, de stenen gebrokkelder, het mos zwartgalliger. Vogeltjes spelen wajangspel, ze zijn fladderende schaduwtjes. Een schaamteloze sensatie van romantiek en spleen bevangt me.

In de compacte mist laten zich nu alleen de gladde stammen van de bomen direct vooruit nog zien, en die bloemetjes op de grond. De markeringen, ze zijn intussen rood-zonder-wit, wijzen nog altijd adequaat de weg, maar nu pas op het laatste moment – àls we ze zien in de mist. Wat soms niet zo is en dan lopen we verkeerd.

„Ik wil terug, geloof ik. Ik zie die markeringen alleen nog met mijn neus erbovenop.”

Man probeert: „Ik zie daar toch een rode streep, op die boom. Het is nog maar één kilometer tot het keerpunt.”

„Ik durf niet verder. Ik haat verdwalen. Stom hè.”

Man is een ruimhartige man: „Welnee.”

Hij kijkt op de kaart en verzint een alternatief lusje voor de terugtocht.

12 km van het ‘Circuito Acernese’. Route 18 van wandelkaart ‘Monti Picentini’ van Club Alpino Italiano, uitg. S.E.L.C.A., Florence.