Over de grens

1386

Zien demonstreren doet demonstreren, schreef Jean-François Revel in zijn boek Ni Marx ni Jésus, verschenen in 1970. Als mensen op de televisie beelden zien waardoor hun relzucht wordt gewekt, en het is enigszins in de buurt, willen ze er ook heen, gewoon om te kijken of om mee te helpen met stenen gooien. Revel had het gezien in de Parijse revolutie van mei 1968. Waarom deden ze het toen? Was het de oude Franse neiging om van tijd tot tijd de straat open te breken en op de barricaden te gaan staan? Verzet tegen het gezag, zoals dat iedereen kan overkomen? De plotseling ontembare lust om eenvoudig iets kapot te slaan? Alles bij elkaar? Daarover geeft Revel geen uitsluitsel.

Het is goed dat het klimaat opwarmt, vooral voor de kinderen die nu niet meer met hun tong aan de brugleuning kunnen vastvriezen. Vroeger, in de tijd van de strenge winters, kwam er onvermijdelijk een berichtje in de krant, onder de kop ‘Kind met tong aan brugleuning vastgevroren’. Dit jongetje was met een paar vriendjes over een brug gelopen. Jij durft niet aan die leuning te likken, had er een gezegd. Waarom niet? Het staal zag er gewoon uit, maakte niet de indruk dat het tien graden onder nul was. Hij likte en vroor vast. De brandweer moest erbij komen. Nadat de krant er melding van had gemaakt moesten in de dagen daarop nog een stuk of tien kinderen worden ontzet.

Vorig jaar gooide iemand van een brug af een steen op een auto. Geen noodlottige gevolgen, wel aanzienlijke schade en een bericht in de media. Daarna kwam er een kleine hausse in het stenen op auto’s gooien. Ik heb er toen een stukje over geschreven, met de strekking dat zo’n voorbeeld, gemeld door alle media, sommige mensen onweerstaanbaar tot navolging uitnodigt. Dit met het risico dat ik daardoor tot de hausse zou bijdragen, maar ik veronderstelde dat de lezers van de Overpeinzingen niet tot de actieve stenengooiers horen. Voorzover ik weet heb ik gelijk gehad.

Intussen vragen twee kwesties van hetzelfde genre de aandacht. De Utrechtse wijk Ondiep heeft, nadat daar iemand door een agent was doodgeschoten, ernstige last van ‘reltoerisme’ gehad. Een fatsoenlijke, oude wijk met veel saamhorigheidsgevoel, maar ook hangjongeren en voetbalsupporters. Hoe het komt dat de agent op de populaire 54-jarige Rinie Mulder schoot, moet nog worden uitgezocht. Maar al vlug waren de jongeren ter plaatse om stenen te gooien en een auto in brand te steken. Daarop verscheen de televisie, in het donker stonden verslaggevers te vertellen wat er gebeurd was en dat de sfeer ‘geladen’ was.

Dit alles werkt op de nationale voetbalondergrondse als een mobilisatiebevel. Verder geactiveerd door boodschappen op internet en sms’jes gingen supporters van ADO, Ajax, Feyenoord en nog meer clubs naar Ondiep om hun krachten te meten en nog het een en ander in brand te steken. Dat kwam ook weer op de televisie. Daarop werd de wijk ‘hermetisch afgesloten’. Nog meer televisie. Orde hersteld, stille tocht en nu hebben de Ondiepers een burgerwacht opgericht om herhaling te voorkomen.

Kun je van dat spektakel ‘de media’ de schuld geven? Misschien, maar niet helemaal. Er is een Amerikaanse film over een ernstig ongeluk in een kolenmijn. De televisie was toen nog in een vroeg stadium van ontwikkeling, maar ook toen al wisten de verslaggevers van wanten. De eerste tientallen haastten zich naar het toneel van de ramp, gevolgd door honderden, een paar duizend. Files. Ruzies. Er werden kraampjes neergezet waar hamburgers en hotdogs werden verkocht. Terwijl in de onderaardse gangen de mijnwerkers gevangen zitten, groeit boven de grond de kermis. Dan is het zeker dat er niemand meer te redden valt. De kermis druipt af, een vlakte vol rotzooi achterlatend. Zo zou je ook een eigentijdse film over Ondiep kunnen maken.

De tweede kwestie. Binnen een paar maanden hebben zich in Nederland drie ‘familiedrama’s’ voltrokken, dat wil zeggen een vader of moeder heeft de kinderen vermoord en zelfmoord gepleegd. Dergelijke gebeurtenissen zijn zo afschuwelijk dat je je er niet verder in wilt verdiepen, maar aan de andere kant stel je je toch de vraag, hoe het zo ver met die mensen heeft kunnen komen. Onvermijdelijk komt de televisie erbij. De ‘omwonenden’ komen aan het woord en als het om zo’n drama gaat, vertellen ze vaak dat degene die het geweld heeft gepleegd, een gewoon, aardig mens leek dat misschien een beetje eenzelvig was, en wat teruggetrokken leefde. Maar verder niets op aan te merken. Van het verslag in de media lijkt geen aanmoedigende werking uit te gaan.

Het gebrek van ons, min of meer normalen, is dat we ons niet kunnen verplaatsen in de wankele positie van degenen die zich op een of andere manier, alzijdig door de wereld bedreigd voelen. Wat is er voor die anderen nodig om een plan tot de oplossing van alles te maken? Hoe klein of uitvoerig moet het bericht in ‘de media’ daarna zijn om te dienen als het duwtje dat nodig is om dit plan uit te voeren?

Toen ik in de journalistiek begon, was het streng verboden, niet bij de wet maar door de hoofdredactie, het woord zelfmoord in de krant te zetten. Daar konden ongelukken van komen, zeiden mijn leermeesters. Het leek me sterk overdreven. Intussen hebben we door en in de media een ander type mens gekweekt, bij wie ‘tussen droom en daad’ andere wetten en praktische bezwaren in de weg staan dan toen Willem Elsschot daarover dichtte. Aan het eind van dit gedicht zit de held zwijgend bij het vuur waar hij ‘een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood. In ieder geval geen slachtoffer van de media.