Nederland dreigt met open ogen in de val van een gemakzuchtig populisme te stappen

Het succes van Geert Wilders is symptomatisch voor de snelle stemmingswisselingen van de kiezer. Onze instabiele massademocratie is makkelijk te bespelen. Het ‘recht op beledigen’ wordt tot in de laatste proleterige consequenties in praktijk gebracht.

J.A.A. van Doorn

Oud-hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit. In april verschijnt van zijn hand ‘Duits socialisme: Het falen van de sociaal-democratie en de triomf van het nationaal-socialisme.’

Twee feiten zijn duidelijk: de consequent gevoerde hetze van Geert Wilders tegen islamitische landgenoten en de wonderlijke lankmoedigheid, om niet te zeggen sympathie waarmee een goed deel van de Nederlandse burgers de strapatsen van het Kamerlid pleegt te volgen.

Om te kunnen begrijpen wat hier aan de hand is, heeft het weinig zin zich te verdiepen in het geharrewar rond dubbele paspoorten, dat niet meer is dan de aanleiding tot het rumoer. Evenmin is het erg zinvol uit te barsten in jeremiades over de verloedering van de parlementaire omgangsvormen. De affaire- Wilders komt namelijk niet als een verrassing.

Ze markeert het voorlopig laatste stadium van een politiek desintegratieproces dat al jaren aan de gang is en daarom enige kennis van de voorgeschiedenis vraagt.

Waar alles om draait, is de doorbraak van het populisme in de huidige Nederlandse politiek. Tot de kern teruggebracht zijn populisten politici die hun kracht uitsluitend zoeken in een direct persoonlijk appèl op de massa van de bevolking. Stonden ze vroeger op het marktplein, tegenwoordig verschijnen ze op televisie en tellen ze ’s avonds de binnengekomen e-mails. Zijn ze succesvol, dan beroepen ze zich exclusief op hun massale achterban, zo mogelijk in voorkeursstemmen uitgedrukt.

Terwijl andere politici hun rol van volksvertegenwoordiger combineren met realiteitsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel, laten populisten alleen de veronderstelde of door henzelf gemanipuleerde stem van de massa gelden. Ze hebben geen kompas waarmee ze hun koers kunnen bepalen maar een radarantenne die continu staat afgesteld op het straatrumoer. De populist handelt zoals Dickens’ Mr. Pickwick die altijd met de menigte placht mee te schreeuwen en in het geval van twee onderling ruziënde menigten zijn vrienden de raad gaf: ‘shout with the largest’.

Populisme is, met andere woorden, democratie zonder remmen, zonder binding aan een evenwichtig programma en vrij van de mores die het politieke bedrijf, bij alle onvermijdelijk machiavellisme, binnen de grenzen van het burgerlijk fatsoen houden. Sterker nog: populisten schilderen politieke regels en instituties af als doorzichtige trucs die politici gebruiken om hun eigenbelang veilig te stellen.

Treden ze in partijverband op, dan blijven ze op persoonlijke titel opereren. Zo debiteert Wilders zijn allermeeste standpunten in de ik-vorm en zo deed Pim Fortuyn het, zijn partij bovendien met zijn naam begunstigend. Verdonk, iets minder vrij in haar bewegingen, volstond met hardnekkige pogingen de VVD op haar naam te brengen, steeds met verwijzing naar haar grote achterban, volgens populistische logica de enige legitimering van politieke macht.

Nederland is lange tijd ongevoelig geweest voor populistische oprispingen. Het was vanouds, en tot diep in de twintigste eeuw, een land van minderheden. Protestanten en katholieken, orthodoxen en vrijzinnigen, liberalen en sociaal-democraten, allen kozen ze voor organisatie in eigen kring, later voor afzonderlijke partijen, vaak ingebed in een krans van maatschappelijke verbanden.

Invloed op het landsbestuur kon alleen worden verworven door onderlinge samenwerking. Het is vooral deze coalitiedwang geweest die onze eigenaardige politieke cultuur verklaart, zowel onze afgedwongen en daarom pragmatisch gekleurde politieke tolerantie alsook het onvermijdelijke ‘polderen’ met alle ‘stroperigheid’ van dien.

In de afgelopen decennia is dit systeem geleidelijk uitgehold, met name door secularisatie – onttrekking aan geloofszekerheid – van zowel het religieuze als het politieke gemeenschapsleven. Door milde ontkerkelijking kon het CDA alle grote denominaties onder één dak brengen, terwijl de definitieve abdicatie van het socialisme – Koks ‘afschudden van de ideologische veren’– de paarse fusie mogelijk maakte.

Dat de meeste politieke partijen zich handhaafden, schept een bedrieglijk beeld. De dominante maatschappelijke organisaties die de minderheden bijeen hadden gehouden, zijn verzwakt of verdwenen. De religieuze en politieke overtuiging van weleer is meer en meer geïndividualiseerd en daarmee ondiep en kwetsbaar geworden. Wat vroeger ideologisch werd gelegitimeerd, wordt nu toegeschreven aan de veranderende tijdgeest of een omslag in het opinieklimaat. Gezaghebbende elites en instituties zijn schaars geworden, zwevende kiezers en zwalkende politici bevolken het politieke landschap. Elke partij, hoe solide ze vandaag ook oogt, kan morgen grotendeels worden weggevaagd.

In plaats van een collectie zelfbewuste minderheden is een onzekere bevolkingsmeerderheid ontstaan. Ze wordt met normen en waarden gebombardeerd, tot gemeenschapsdenken aangemoedigd, van nationale trots voorzien en aan de glorie van de vaderlandse geschiedenis herinnerd.

Dit streven naar nieuwe binding is begrijpelijk, zelfs geboden, maar het is ook riskant. De Nederlands-Amerikaanse historicus James Kennedy heeft al in 2001 in de bundel De lege tolerantie gewaarschuwd voor het ontstaan van een meerderheidscultuur – liberaal, seculier en blank – die ertoe neigt de eigen normen als sacrosanct te beschouwen en op te willen leggen aan minderheden met afwijkende opvattingen.

En inderdaad: nu de mitigerende invloed die voorheen kon uitgaan van de naast elkaar bestaande heterogene minderheden vrijwel is vervallen, is de vestiging van een ‘tirannie van de meerderheid’ niet langer denkbeeldig. „Tolerantie als een ideologie gedefinieerd door de meerderheidscultuur”, schrijft Kennedy, „is de meest wankele tolerantie die er bestaat.”

Tolerantie wordt vooral op de proef gesteld indien zich in een homogene samenleving nieuwe vreemde groepen aanmelden die de dominante normen en waarden niet of niet volledig erkennen of zelfs niet kennen.

Die ervaring is Nederland lange tijd bespaard gebleven. Weliswaar vond er in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een massale instroom plaats van Indische Nederlanders uit ‘de Oost’ en van Surinamers uit ‘de West’, maar het betrof rijksgenoten, afkomstig uit voormalige overzeese gebiedsdelen. Ze spraken onze taal en ze beleden dezelfde godsdiensten die hier te landen dominant waren. De enige weerbarstige nieuwe minderheid werd gevormd door de Molukkers, die in latere jaren zelfs tot geweld hun toevlucht namen, waaraan door een gelukkige combinatie van harde tegenactie en verzoenende gebaren een einde werd gemaakt.

Pas in de jaren zeventig en tachtig werden als gevolg van nieuwe immigratiegolven de eerste symptomen zichtbaar van een moeilijk beheersbare integratieproblematiek. Achteraf gezien kondigde zich toen reeds de maatschappelijke breuklijn aan die momenteel dwars door ons land loopt en die dreigt uit te groeien tot een nationale tweedeling, met enerzijds een meerderheid van ‘verlichte’ autochtonen en anderzijds de minderheid van ‘achterlijke’ allochtonen.

Het begon onschuldig én ondoordacht met de werving van ‘gastarbeiders’, hier tijdelijk verblijvende arbeidskrachten, eerst uit Spanje en Italië, later op veel groter schaal uit met name Turkije en Marokko.

Vervolgens begon hun aantal stormachtig te groeien, deels omdat de verwachte remigratie achterwege bleef, deels omdat, daardoor, op grote schaal gezinshereniging plaats vond. Een nonchalant asielbeleid bracht tenslotte een nieuwe stroom vreemdelingen naar ons land, opnieuw voor een niet gering deel uit moslimlanden afkomstig.

De kolossale uitdaging die deze massale immigratiestroom voor ons land betekende, werd vele jaren niet adequaat beantwoord en eigenlijk niet eens goed onderkend. De oplossing van problemen zoals maatschappelijk isolement, lage scholingsgraad en hoge werkloosheid werden overgelaten aan een welzijnsbeleid dat daarvoor niet was geëquipeerd. De bestudering van die problemen werd bovendien toevertrouwd aan een menigte cultuurantropologische onderzoekers wier voornaamste verdienste was dat zij een geheel nieuwe terminologie op de markt brachten, gecentreerd rond het begrip ‘multiculturaliteit’.

Werkelijk boeiend werd de ontdekking van deze pluriformiteit toen er een politieke vertaling op werd losgelaten. De verscheidenheid leek immers goed te passen in de al zo lang aanvaarde zuilenstructuur van ons land. Waarom zouden de nieuwe minderheden, met behoud van hun subcultuur, niet gewoon aanschuiven bij de bestaande zuilen? Wie zou bezwaar kunnen maken tegen het hanteren door immigranten van een formule die oer-Nederlands was?

De Rotterdamse hoogleraar staatsrecht S.W. Couwenberg, nooit bevreesd om zijn nek uit te steken, legde zich in 1982 die vraag voor maar kwam tot een afwijkend standpunt dat ons herinnert aan Kennedy’s ‘meerderderheidscultuur’. Als gevolg van de voortgaande ontzuiling, aldus Couwenberg, wordt Nederland bijeengehouden door een nationale politieke cultuur, wortelend in christendom en humanisme en zich manifesterend in een liberaal-democratische basisorde. Het lag naar zijn mening voor de hand dat vreemdelingen die zich hier vestigen, zich aan die orde conformeren.

Hoewel zeer zakelijk gebracht, kwam dit pleidooi voor de erkenning van de Nederlandse identiteit als nieuw nationaal bindmiddel kennelijk te vroeg om bijval te vinden. Meer succes had een tweede poging, in 1991 door Frits Bolkestein ondernomen. De strekking van zijn betoog verschilde in die zin niet wezenlijk van die van Couwenberg dat ook hij de liberaal-democratische beginselen als maatgevend voor de integratie van vreemde minderheden omschreef. Maar er waren ook verschillen. Anders dan Couwenberg, die zich overwegend tot Nederland had beperkt, koos Bolkestein voor een hooggestemde mondiale visie die vooruit liep op Huntingtons’ theorie over de ‘clash of civilizations’. Daarbij koos hij voor een zeer bepaald contrast, door de superioriteit van de westerse beschaving af te zetten tegen tradities in de islamitische wereld.

Ook Bolkestein kreeg de nodige kritiek, maar achteraf kan worden vastgesteld dat hij met zijn aanval op de islam de richting van alle verdere discussies over integratie en assimilatie van immigranten in hoge mate heeft bepaald.

De richting, maar niet alle argumenten en zeker niet de bewoordingen die sindsdien het debat gingen kleuren. Zoals verwacht kon worden plachten minder subtiele discussianten Bolkesteins superioriteitsaanspraken van de Europese cultuur eenzijdig te vertalen in denigrerende oordelen over de inferioriteit van de islam.

Het ging stapsgewijs. Pim Fortuyn volstond nog met het oordeel ‘achterlijke cultuur’ maar Ayaan Hirsi Ali en haar medestanders richtten hun agressie steeds duidelijker op de islam als religie, op de profeet en op dubieus geachte passages in de Koran. Een tijdlang bleef men nog onderscheid maken tussen islamitisch geïnspireerd terrorisme en de meerderheid van gematigde moslims, dan wel tussen de politieke islam – islamisme genoemd – en de religie in volle omvang, maar uiteindelijk leidde de wedijver in krasse uitingen tot het wegsIopen van alle nuances met als slotakkoord de mening van Wilders dat ‘een gematigde islam’ helemaal niet bestaat.

Het is niet overdreven te stellen dat het integratiedebat dezer dagen door Wilders voor beëindigd is verklaard. Nederlandse moslims, hoe zij zich ook uiten en gedragen, zijn eenvoudig niet welkom en dienen uit ons land te verdwijnen. Alle omtrekkende bewegingen zijn vervallen. Er wordt rechtstreeks op de man – en vrouw – gespeeld. Het ‘recht op beledigen’ wordt tot in de laatste proleterige consequenties in praktijk gebracht.

Ten slotte, en ter voorkoming van misverstand: niet de momenteel zo heftig stampvoetende Geert Wilders is het probleem maar de massale bijval waarop intolerante uitspraken tegenwoordig kunnen rekenen – tot verbazing van menige goed geïnformeerde buitenlander die ons land als een bolwerk van redelijkheid had leren kennen. De Nederland bevolking, ooit blind voor het ‘multiculturele drama’, dreigt nu met open ogen in de val van een gemakzuchtig populisme te stappen. Er wordt zowaar in brede kring geloof gehecht aan de stelling dat wij door ‘de Verlichting’ zijn gegaan en daarom een superieure beschaving vertegenwoordigen. En wie eraan twijfelt of wij het wel ‘so herrlich weit haben gebracht’, wordt meteen geattendeerd op de aanwezigheid van een als inferieur gedefinieerde onderklasse.

Die onderklasse is echter een mentale constructie, bedoeld als ideologisch wapen. Ze mist de homogeniteit die haar wordt toegedicht. Ze kent de spanning tussen leer en leven, zoals elke geloofsgemeenschap. Ze vertoont diepgaande verschillen in etnische en nationale herkomst, zoals pijnlijk duidelijk wordt uit het onvermogen zich op basis van haar religie te organiseren. Ze is op weg naar integratie en ze beschikt inmiddels over een ontwikkelde elite die de onmisbare rolmodellen levert.

Het is deze feitelijke heterogeniteit die moet fungeren als uitgangspunt van elk integratiebeleid. Wie daarentegen zweert bij ‘Feindmarkierung’, zoals onze oosterburen dat zo mooi zeggen, draagt bij tot wat hij zegt te bestrijden: verdere uitdieping van de kloof die nu reeds de Nederlandse samenleving verdeelt.