Na de watersnoodramp

Het dorp ziet de moordenaar van Tante Co na het uitzitten van zijn straf liever niet terugkeren.

De boodschap aan de telefoon luidde: „Help, mijn buurvrouw is vermoord.” We staan op de dijk die het kleine Zeeuwse dorp St. Philipsland omringt. Politieagent Co Sturris laat me het dorp zien waar een paar jaar geleden een bejaarde vrouw op lugubere wijze omgebracht werd. „Je hoopt dat je zo’n melding maar één keer in je leven krijgt”, zegt hij, „maar het is een hoogtepunt geweest voor ons team.” Hij wijst de belangrijkste plekken van het dorp aan. Het enige café, de drie kerken en het monument voor de watersnoodramp. De hangplek voor de jongeren en het praathuisje voor de ouderen, op vijftig meter van elkaar. Een hechte gemeenschap waar de 1.800 bewoners elkaar kennen en in de gaten houden. „Na de watersnoodramp is dit de tweede ramp die het dorp getroffen heeft.” De moord op de bejaarde vrouw en de speculaties over de dader hebben de dorpelingen maandenlang beziggehouden tijdens het boodschappen doen, na de kerkgang en op kaartavonden.

Het gebeurde op een feestelijke avond in het dorp. Fanfare Concordia gaf een jubileumconcert en zowat de hele bevolking was in de versierde gymzaal aanwezig geweest. Zelfs de burgemeester van Tholen had zijn opwachting gemaakt. „Wat als een avond vol hoogtepunten begon, eindigde in een mysterie.” Men had gebeden dat de dader niet van het dorp zou zijn, maar Co had genoeg aanwijzingen dat het gebed niet verhoord ging worden.

Voor een serie televisieprogramma’s verdiep ik me de komende maanden in moordzaken, vandaar mijn reis naar St. Philipsland. De 18-jarige moordenaar werd uiteindelijk door DNA-onderzoek onder de bevolking gevonden. Om de bewoners uit te leggen hoe dat in zijn werk zou gaan, had het politieteam samen met Omroep Zeeland een demonstratievideo gemaakt en de gemeenschapszin zorgde ervoor dat niemand durfde te weigeren. De dader bleek de achterbuurjongen en de oorzaak, na vijftien flessen bier, lust. „Het was alsof er een soort waas in hem terecht was gekomen. Alsof er een knop in hem omgezet werd.” In het dorp is het nog steeds een gevoelig onderwerp. Zowel de familie van de moordenaar als de familie van de dader zijn er blijven wonen. „’t Is een hele gewone, gevoelige jongen. Een grijze muis. Niet anders dan de anderen.” Vier jaar gevangenis en daarna tbs was het vonnis.

„Persoonlijk vind ik dat hij opgesloten moet blijven”, zegt mevrouw de Bruin. Ze heeft niet zoveel zin om aan een interview mee te werken maar vindt het prima om, op de achtergrond vanaf de bank, waar nodig de verklaringen van haar man aan te vullen. „Hij kan zich hier niet meer vertonen. Iedereen zal zeggen: kijk daar loopt de moordenaar! En je weet nooit of er kans is op herhaling en dan is het dubbel zo erg!”

Meneer de Bruin laat de muziek horen die de fanfare die avond speelde. „Song and Dance. Een prachtige opening voor een jubileumconcert! Heeft u verstand van fanfaremuziek?” Hij bladert door een stapel plakboeken. Hij verzamelt alles wat er over zijn dorp gepubliceerd wordt. „De politie verhoort alle mannen na gruwelmoord op Tante Co”, leest hij gedreven voor. Het was voor hem een drukke periode, want over de moord werd veel gepubliceerd. „Gebeurd is gebeurd en dat draai je niet zomaar om.”

Op de dijk spreekt een voorbijganger me aan. Hij kende het slachtoffer goed. Ze was de beste vriendin van zijn schoonmoeder. „Ik heb DNA moeten afstaan voor het onderzoek en vlak na mij kwam de latere moordenaar”, zegt hij. „Daaraan kun je zien dat de politie haar werk goed gedaan heeft, want als ze dat niet doen en ze hadden de buisjes verwisseld of zo, dan had ik het ineens gedaan kunnen hebben.” Ondanks zijn persoonlijke contacten met de omgebrachte vrouw groet hij de familie van de moordenaar nog steeds op straat. „Ik maak normaal een praatje met ze. Je weet nooit of het aan de ouders of de opvoeding ligt. Als Christen is het geen goed gedrag om ze te mijden.”

Agent Co wijst de woning van de vermoorde vrouw aan, de begraafplaats waar het slachtoffer begraven ligt en de straat waar de familie van de moordenaar woont. Alles heel dicht bij elkaar. Op het politiebureau laat hij een video zien, gemaakt in de eerste uren nadat de moord ontdekt is. „We wilden niks over het hoofd zien.” Bizarre beelden. Bloedplassen, rode handafdrukken op het tapijt en enkele sporen van een vechtpartij rond een tweezitsbank. Minutenlang trekken de beelden voorbij. Co heeft ze lang niet gezien. „Alsof ik er weer sta en haar daar zo aantref.” We zwijgen en kijken. Ik vraag wat je als agent als eerste doet in zo’n geval. „Denken, denken, denken”, antwoordt hij. „Alle mogelijkheden door je hoofd laten schieten.” Maar in eerste instantie kon hij zich geen beeld vormen van een mogelijke dader. Opkijken van dit soort zaken doet hij sindsdien niet meer. „Laatst hebben we nog twee dode Chinezen uit een kreek gevist. Topje van een ijsberg!” De jonge moordenaar heeft hij na diens bekentenis nooit meer gesproken. Hij hoopt dat-ie gewoon een plek krijgt in het dorp en er gaan geruchten dat hij daar alweer gesignaleerd is na een verlof. „Hij moet toch ergens naar toe en hier kent-ie iedereen.”