Lokale overheid van groot nut voor het landschap

De discussie over wie verantwoordelijk is voor de ruimtelijke inrichting wordt te eenzijdig gevoerd. Verbetering van de kwaliteit van het landschap is noodzakelijk, hierbij heeft het rijk een belangrijke taak. Het is echter een illusie te denken dat het rijk garant kan staan voor het voorkomen van de verrommeling van het landschap. Een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid ligt bij lokale en regionale overheden. Vooral het voorkomen van verrommeling dient op lokaal en regionaal niveau te worden aangepakt.

Het landschap is bij uitstek het resultaat van lokale en regionale gegevenheden zoals de bodem, het water, de ontginningsgeschiedenis, de cultuurhistorie, gebruik en de identiteit van de mensen in een gebied. Dit is een kwaliteit die zich moeilijk centraal laat behartigen. De bal ligt dus vooral bij provincies en gemeenten. Daar is behoefte aan visieontwikkeling en instrumenten, waarbij de kwaliteit van gebieden centraal staat.

Het motto van de kabinetten-Balkenende voor de ruimtelijke ordening is `decentraal wat kan, centraal wat moet`. Vrij vertaald betekent dit dat er zwaarwegende belangen moeten zijn om andere overheidslagen dan de gemeenten een rol te laten spelen bij de ruimtelijke ordening van zijn grondgebied. Lokale overheden moeten op microniveau de uitvoering voor hun rekening nemen. Zij stemmen het landschapsbeleid af op de lokale en regionale behoeften, zoals wonen, werken en recreëren.

De uniciteit van het landschap is dermate plaatsgebonden dat dit niet kan worden behartigd door de rijksoverheid. Er is voor het rijk wel een rol als er nationale belangen spelen, zoals veiligheid of de nationale economie.