Leven in Frankrijk. Heerlijk

Peter IJpelaar is met zijn vrouw gaan wonen op het Franse platteland. Idyllisch. Natuurlijk spreekt hij goed Frans. Denkt hij...

‘Stop… contact…’ Christian, onze elektricien, vindt het een van de geestigste woorden die hij in tijden gehoord heeft en hij hinnikt nog na als hij zijn frees plant in een van de gigantische rotsblokken waaruit ons huis is opgetrokken. Achteraf gezien mag het een wonder heten dat onze boerderij op het Franse platteland zo mooi is geworden. Aan onze taalvaardigheid hebben we het zeker niet te danken, want het viel niet mee om met een handje middelbare schoolfrans hakkelend en stotterend onze rugbymannen uit te leggen dat we het zó wilden en niet anders. Maar het is waar wat men zegt, al doende leert men.

Wat ook geholpen heeft is dat we de schotelantenne tussen veertig andere ongeopende verhuisdozen in de stal hebben laten staan. We hebben het idee dat als we nu al Umberto Tan en Jack Spijkerman over de vloer halen we een kans laten liggen om ons het Frans eigen te maken.

nagesynchroniseerd

Het aanbod van de Franse publieke omroep is over het algemeen vreselijk. We kijken naar nagesynchroniseerde series, Derrick uit begin jaren zeventig, de Bold and the Beautiful en uiteraard het journaal, allemaal ondertiteld voor doven en gehoorgestoorden. Om acht uur zitten wij paraat, de laptop in de aanslag om snel woordjes op te kunnen zoeken zoals doelwit, gijzelaar, bomexplosie of ontvoering. (In het halve jaar dat we kijken hoorden we één keer Pays-Bas en zagen een stuk of zestig paarden op een zandplaat. Wat was dat?)

Helaas ontbreken in de ondertiteling de ene dag alle klinkers, de dag erop de medeklinkers. De dag daarna lijkt het of de acht à twaalf redacteuren die verantwoordelijk zijn voor de ondertiteling al om vier uur aan de absint zijn gegaan, want we kijken een half uur lang naar absolute wartaal. Ze zullen elkaar om half negen wel een high five geven en schaterend de deur uitlopen want klachten van de doelgroep krijgen ze kennelijk nooit.

Regelmatig hebben ze ook bonje, want we lezen dan dat wegens technische problemen helaas de ondertiteling ontbreekt. Zo blijft leren spannend en scharrelen we onze woordjes bij elkaar. Om ons natuurlijk af en toe enorm te vergissen.

DE KRAANVOGELS PASSEREN

Ik moet dit relaas even onderbreken. Buiten klinkt een gehuil als van een meute honden. Ik ga kijken wat het is. Uit het zuiden over de Pyreneeën komen in strakke V-vorm, opmerkelijk hoog, vogels overvliegen. Ik zie een wielerpeloton met de sterke jongens voorop, waterdragers en niemand lost. Men kwekt voortdurend. Gefascineerd zie ik de volgende vlucht aankomen, en nog één, en nog één. Duizenden vogels. Het fenomeen is me totaal onbekend en ontroert me tot op het bot. Christian, de elektricien, legt het me uit: het zijn kraanvogels, die van Midden-Afrika terugvliegen naar hun geboortegrond in Scandinavië. Kruissnelheid: zeventig km per uur. Hij strekt zijn armen uit zo breed hij kan. Spanwijdte: 2 mètres. Mensen hier leggen hun werk neer om naar deze mythische vogel te kijken, want het is de trompetter van het nieuwe voorjaar. De kraanvogel weet het: de winter stelde niets voor en hij zit erop. Christian en ik begrijpen elkaar heel goed.

Onze kruiwagen is gestolen, we hadden hem net gekocht, een fraai groen exemplaar met twee luchtbanden in plaats van één. Stelen is net als in Nederland not done, en in deze streek hoogst ongewoon. We doen ons beklag bij Marc, de buurman, tussen wiens akkers ons huis zich bevindt. Belangstellend hoort hij ons verhaal aan, want diefstal is een ernstige zaak. Helaas halen wij twee woorden door elkaar, chouette (uil) en brouette (kruiwagen). Prachtig, helemaal in de stijl van Yves Montand, die opgetrokken wenkbrauwen van de buurman als Emilie uit de doeken doet wat een misselijke streek ons is geleverd. Ach, ach, malle Hollanders zie je hem denken, schoenen van hout, tulpen, coffeeshops en een uil als huisdier, dat kan er ook nog wel bij. „En we hadden hem potdorie net gekocht bij de Mr. Bricolage”, zegt Emilie verontwaardigd. „Wat? Verkopen ze bij de Mr. Bricolage uilen?” vraagt de buurman. „Dat wist ik niet.” „In alle soorten en maten”, antwoord ik en dan in mijn beste Frans: „Dus als u uil vindt in veld met groene kuip en twee luchtbanden u mij zeggen, ja?”

het eiervrouwtje

Als de horde van een beperkte woordenschat min of meer genomen is, dient er ook nog afgerekend te worden met het binnensmonds gemompelde Gasconse accent. Yvonne is onze buurvrouw. Ze woont alleen op een grote boerderij ongeveer een kilometer verderop richting dorp onder vrij primitieve omstandigheden. We noemen haar het Eiervrouwtje. Inderdaad, we halen verse eieren bij haar. Ze heeft maar één tand, ze is opmerkelijk klein, krom als een hoepel en misschien wel de lelijkste vrouw die ik ooit gezien heb, hoe oneerbiedig dat ook klinkt bij iemand die mismaakt is en bovendien niet helemaal bij.

lusten jullie konijn?

Als we eieren halen, maken we meestal een praatje, of beter, analyseren samen de vraag die ze stelt en geven daar zo goed en zo kwaad mogelijk antwoord op. Hebben jullie dieren? Nee. Hebben jullie de tomatenplantjes die ik jullie heb gegeven wel gesnoeid? Nee. Lusten jullie konijn? Nee. Willen jullie mijn haan kopen? Geïnteresseerd bekijken we vanaf een meter of twintig een pracht van een haan. Dat is een ander verhaal, wat een schoonheid. Groot, sterk, parmantig, een echte haan. „Twintig euro”, verstaan we. „Da’s voor niks voor zo’n prachtig beest”, zeg ik achter Emilie haar rug, want sinds ik hier woon heb ik echt overal verstand van. „Tien”, onderhandelt Emilie bikkelhard, kennelijk met haar gedachten bij wat zo’n kip in cellofaan bij de Intermarché zou mogen kosten. „Vijftien!” Het is duidelijk dat het Eiervrouwtje ons op dit moment wél heel goed begrijpt. Emilie trekt me even aan mijn mouw. „Vijftien euro, volgens mij is het te geef Emilie, maar wel pas in april”, zeg ik. We hebben afgesproken om pas in het voorjaar met dieren te beginnen. Vijf minuten later zitten we lachend in de auto. We hebben een haan gekocht en weten niet eens hoe hij klinkt.

Enkele dagen later is het zaterdag en omdat we uit Amsterdam de goede gewoonte hebben meegenomen om op zondagochtend te ontbijten met eieren met spek stoppen we bij de boerderij van Yvonne. Van een afstand zie ik toe hoe Emilie op de deur klopt, een euro overhandigt en de zes eieren in ontvangst neemt. Dan zie ik haar een halve pas naar achteren doen, een moment kijkt ze naar de auto met een blik waar ik niks mee kan en nog geen seconde later verschijnt er een knokige arm door de deuropening met in de hand een doorzichtige plastic zak waarin alle tinten tussen rood en het wit van kippenvlees om voorrang vechten.