Letselschade: alsof je een loterij kan gaan winnen

Letselschade is ‘booming business’. Gerenommeerde advocatenbureaus houden zich ermee bezig, maar ook bureaus met minder goede bedoelingen. „Het is een onvolwassen markt.”

Rotterdam, 17 maart. - Zomaar een letselschadebureau, op internet: „Binnen 24 uur € 1.250 op uw rekening? Dat kan.” Hoe eerder u reageert, meldt het bedrijf, hoe eerder u over dat bedrag én „een van de beste letselschadeadvocaten van het land” kunt beschikken. Het bedrijf werkt uitsluitend op basis van no cure no pay, waardoor het slachtoffer nooit iets aan het bedrijf „of aan wie dan ook” hoeft te betalen.

Ook in folders die bij huisarts of apotheek liggen beloven ze hoge schadevergoedingen. „Het lijkt de Duitse loterij wel, als je ze leest”, zegt Martijn van Driel, beleidsmedewerker van Slachtofferhulp Nederland. Letselschadebureaus als deze kunnen volgens hem meestal niet waarmaken wat zij beloven.

„Het is een onvolwassen markt”, zegt registerexpert Mark van Dijk. Het was zijn idee om met letselschadebureaus, advocatenkantoren, Slachtofferhulp Nederland en Stichting De Ombudsman gedragsregels op te stellen voor belangenbehartigers.

Sinds de Hoge Raad in 1987 bepaalde dat slachtoffers van letselschade buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand niet zelf hoeven te betalen, werd claimen vanzelfsprekender. Meer belangenbehartigers gingen zich daarom met letselschade bezighouden.

Inmiddels zijn er ongeveer 60 letselschadebureaus en 150 advocatenkantoren die zich hebben gespecialiseerd in letselschade. Bedrijven die het beste voorhebben met hun cliënten ergeren zich aan hun schreeuwerige concurrenten en de imagoschade die zij hun bezorgen.

Voorbeeld. Een slachtoffer meldt zich bij een van de bureaus die de hoogste schadevergoeding en de snelste afwikkeling garanderen. Het bureau blijkt zelf geen advocaten of letselschade-experts in huis te hebben en is daardoor niet gebonden aan regels waaraan die zich moeten houden. Het slachtoffer kan dus nergens met klachten terecht.

[Vervolg LETSELSCHADE: pagina 2]

Fluitend gage opstrijken

Nog een voorbeeld. Een bouwvakker heeft een gecompliceerde enkelfractuur en gaat na herstel weer aan de slag. De letselschade wordt afgewikkeld, maar door onvoldoende medische deskundigheid ziet de belangenbehartiger over het hoofd dat het letsel in combinatie met het zware werk op termijn tot uitval leidt.

Slachtoffers hebben vaak geen idee hoe ze ervoor staan in een zaak die soms al jaren duurt. Ze denken dat ze geen kosten hoeven te betalen, tot ze toch de rekening van hun belangenbehartiger krijgen, bijvoorbeeld omdat de verzekeraar heeft geweigerd een duur medisch onderzoek te vergoeden. Hun advocaat is onbereikbaar. Als ze eindelijk een brief van hem ontvangen, begrijpen ze die niet. Met de gedragsregels die nu zijn opgesteld, hoopt de Stichting Keurmerk Letselschade aan dit soort praktijken een einde te maken.

Er zijn al eerder pogingen gedaan om de branche aan regels te binden. Recentelijk onder begeleiding van de Universiteit van Tilburg na een eerder kritisch rapport van Stichting De Ombudsman. Samen met verzekeraars en slachtofferorganisaties probeerden ze tot richtlijnen te komen om de procedure na een ongeval of medische fout zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen. De advocaten haakten af. Ze konden zich niet binden aan andere afspraken dan die met hun cliënten, zeiden ze. De gedragsregels voor het keurmerk dat er nu ligt, gaan dan ook alleen over die relatie. Ze vullen de ‘code van Tilburg’ aan.

De bijna vanzelfsprekende eisen van de Stichting Keurmerk Letselschade (met mensen van Slachtofferhulp Nederland, advocaten en letselschade-experts) aan de leden, doen vermoeden hoe het er bij sommige bedrijven toe gaat:

Belangenbehartigers hebben minstens eens per jaar een persoonlijk gesprek met hun cliënt.

Post van cliënten binnen twee weken, hun telefoontjes binnen drie werkdagen beantwoorden.

Minstens één medewerker heeft een gedegen letselschadeopleiding gevolgd, bij grotere kantoren ministens een op de drie. Die persoon werkt minimaal 32 uur per week in het bedrijf.

Belangenbehartigers besteden minstens 500 uur per jaar aan letselschadedossiers.

De stichting zal controleren of bedrijven met het keurmerk zich aan de regels houden. Van Dijk: „De meesten zullen het minimale niveau halen, anderen zullen hun organisatie moeten aanpassen.”

Belangrijk is dat belangenbehartigers met hun cliënten duidelijke afspraken maken over hoe zij worden uitbetaald. Belangrijk daarbij zijn de afspraken over no cure no pay, waarbij de belangenbehartiger alleen een honorarium krijgt wanneer de schadevergoeding wordt toegekend. Advocaten mogen niet werken op basis van no cure no pay, schaderegelaars wel. Maar ook hun schrijft de stichting voor terughoudend te zijn, omdat het „vaak in het nadeel van het slachtoffer blijkt te zijn”. Van alle letselschadezaken gaat het bijvoorbeeld in ongeveer 80 procent van de gevallen om een verkeersongeval. Daarvan weten schaderegelaars vaak direct of het slachtoffer recht heeft op schadevergoeding. Dan is no cure no pay en zeker een hoog percentage – soms wel 30 procent – van het uitgekeerde bedrag buitenproportioneel.

De discussies die de beroepsgroep zelf over no cure no pay heeft, zijn niet altijd eenvoudig. Wanneer iemand bijvoorbeeld door toedoen van de arts een infectie overhoudt aan een eenvoudige ingreep aan zijn hand, is dat moeilijk te bewijzen. Zo’n zaak – moeilijk te bewijzen maar met een beperkte schadevergoeding van zeg 25.000 euro – kán een advocaat niet eens op basis van no cure no pay doen, zegt Van Dijk. Dan is 5.000 euro te weinig.

Maar bij een eenvoudige zaak als: fietser krijgt geen voorrang en wordt aangereden, zou no cure no pay diefstal zijn. De belangenbehartiger zou dan fluitend 20 procent van 750.000 euro opstrijken. „Met het keurmerk proberen we in die ingewikkelde discussie voor het slachtoffer heldere richtlijnen in aan te brengen.”