Je moet ’m ophemelen

Een jonge, geadopteerde vrouw schrijft over haar ervaringen met Nederlandse mannen.

„Kyung-Soon, je gaat toch wel mee naar de tweede pas? Dat lijkt me zo gezellig. Dan gaan we daarna een appeltaartje eten.” Aan het woord is mama die er, nu de familie uit elkaar is gevallen, hysterische opvattingen over gezelligheid op nahoudt.

Mijn broer gaat trouwen en nu moet ik toekijken hoe mijn schoonzus zich in haar trouwjurk wringt. Mijn schoonzus is best aardig, maar of ik nou bij haar tweede pas moet zijn. Ik heb me laten vertellen dat geadopteerde kinderen de neiging hebben ‘sociaal wenselijk gedrag’ te vertonen. Daarom zei ik tegen mama: „Ja, enig. Leuk zo’n tweede pas.”

Het had niet veel gescheeld of ik was ook getrouwd. Mijn derde vriend was advocaat en hij had een scootertje. Verder woonde hij in Amsterdam. Maar dat scootertje deed het hem. Eén keer zat ik bij hem achterop en toen zijn we door de politie achtervolgd. Hij was met andere woorden stoer, ook nog eens twaalf jaar ouder dan ik en hij had de behoefte me te beschermen en me van alles te leren, bij voorkeur dingen die ik al wist. „Kyung-Soon, zo eet je kreeft.” „Kyung-Soon, die Hema-onderbroeken van je kunnen echt niet.” „Kyung-Soon, heb jij je tanden al eens laten witten?”

Zijn beste vriend ging trouwen en mijn advocaatje was gevraagd getuige te zijn. Al weken van tevoren begon hij zich zorgen te maken over de Grote Dag. Eerst zei hij, „misschien moeten wij ook trouwen, Kyung-Soon.”

Hij kreeg het voor elkaar dat mijn ouders zijn ouders gingen ontmoeten, wat de gênantste dag uit mijn leven is geworden, want papa en mama praatten nauwelijks meer met elkaar. En de ouders van mijn advocaatje gingen ronduit debiele vragen stellen in de trant van: „Kyung-Soon, heb je die naam uit Korea meegenomen of was het een idee van je ouders?”

Al snel bleek dat mijn advocaatje vooral wilde dat ik een soort metamorfose voor de Grote Dag onderging. Ik moest naar een speciale kapper voor mijn haren, naar een speciale tandarts voor mijn tanden en naar een speciale klerenwinkel voor mijn jurk. En ik kon het eerst zelf niet geloven, maar er was een repetitie waarop iedereen die een functie vervulde op de Grote Dag met aanhang diende te verschijnen.

Toen viel het beeld dat ik van mijn advocaatje had aan diggelen. Eerst fluisterde hij op de repetitie: „Zeg maar niet dat je in de buurt van Roosendaal bent opgegroeid.” (Terwijl hij zelf uit een gehucht bij Roermond kwam.) Vervolgens nam hij me apart en zei: „Zeg maar niet wat je doet.” En terwijl we aan het wachten waren, zei hij: „Oh, die vriend van mij komt toch uit zo’n goede familie. Zijn zus heeft vier jaar op Yale gezeten.” En ze hebben dit. En ze hebben dat. Ik werd er kotsmisselijk van.

Met de Nederlandse man is het zo gesteld: Je moet er eerst veel alcohol ingieten voor hij actie onderneemt. En dan wil het vooroordeel dat de man vooral seks wil. Dat wil hij in het begin misschien ook wel. Maar uiteindelijk wil hij vooral worden opgehemeld. Je moet alles aan hem geweldig vinden. Vooral die dingen die naar objectieve maatstaven gemeten echt niet geweldig zijn.

Kyung-Soon van Gelder