‘Ivoorkust is veilig, maar zo voel ik het niet’

Schrijfster Jessica Durlacher (1961) reisde naar Ivoorkust om bij een Artsen zonder Grenzen-project research te doen voor een boek. Ze is getrouwd met Leon de Winter. Samen hebben ze een zoon en een dochter, Moos (11) en Moon (9). „Ik ga dus naar een gebied in oorlog. Ik ben als de dood.”

Jessica Durlacher

Vrijdag 9 maart

Zaterdag 10 maart staat rood in mijn agenda. Morgen ga ik naar Ivoorkust. Ik slaap al dagen slecht. Hier heb ik maandenlang tegenop gezien. Maar nu het dan zo dichtbij is, kan ik me tenminste concentreren op wat ik moet pakken. Beversport de laatste weken reeds driemaal bezocht, kompas gekocht, tropenschoenen, kakibroek, en nu toch maar besloten niet die 3-literzak (merk: Camelback!) met slurf mee te nemen.

Ik ga naar een van de projecten van Artsen zonder Grenzen als schrijver, ja, om erover te schrijven, wat een plan was van een van de toenmalige Amsterdamse medewerkers. Doel is de aandacht te vestigen op de moeder-kindzorg die Artsen zonder Grenzen ondersteunt. Naar een Afrikaans land, het was toen nog onbekend welk, wilde ik meteen. Eindelijk zou ik de andere wereld zien, de wereld waar je anders nooit komt, de wereld van de armoede en de oorlog.

In Ivoorkust zit Artsen zonder Grenzen sinds 2003 in onder meer Danane, een plaats met een ziekenhuis, niet zo ver van de Liberiaanse grens. Sinds 1999 is het onrustig in Ivoorkust, met een binnenlandse strijd die tussen noord en zuid heerst, met echt heftige onlusten in 2002 en in 2004, toen de heersende president milities vormde. Inmiddels hebben rebellen de leiding over het arme noorden en staan tegenover president Gbagbo met zijn milities. Ook de Fransen, die nog steeds belangen hebben in Ivoorkust, proberen controle uit te oefenen. Ik ga dus naar een gebied in oorlog. Ik ben tot de tanden toe gewapend. Anders gezegd: ik ben als de dood.

Zaterdag

7.30 uur. Diep ongelukkig in de taxi naar Schiphol gereden. Dat zachte, ongeruste gezichtje van Moos (11), het lieve verbaasde hoofdje van Moon (9): ga je nu echt al? Dat algehele gevoel van losgescheurd te worden uit de zelf verworven veiligheid, de enige plek ter aarde waar het leefbaar is: bij mijn geliefden, het broze netwerk dat mijn leven is met hen.

De vlucht van Amsterdam naar Parijs overleef ik ternauwernood, ziek van ellende. Vanaf Parijs wordt het ernst en zie ik voor het eerst de bestemming op de borden. Abidjan. In het vliegtuig zit ik naast Vanessa en haar twee dochters van 7 en 9. Ze spreken Frans en Nederlands door elkaar heen en blijken in San Pedro, iets ten westen van Abidjan, aan de zuidkust van Ivoorkust te wonen. Vanessa’s vader is daar 20 jaar geleden naartoe verhuisd om geld te gaan verdienen in de cacao, Vanessa heeft er haar man, een Libanees, ontmoet. Later zal ik horen dat het land vol rijke Libanezen zit. Ze vertelt me haar ervaringen met de burgeroorlog. Hoe ze, zwanger van haar vierde kind, einde 2004 moesten vluchten met de boot wegens de razernij tegen de blanke bevolking. In Dakar konden ze vervolgens naar Nederland vliegen en toen hebben ze daar een jaar gewacht met terugkeren. Terug zijn ze, maar het is het niet meer als vroeger. De wegen zijn slechter geworden, het vuil wordt niet meer opgehaald.

Vanessa neemt me onder haar vleugels bij de douane: het huispersoneel staat op hen te wachten, en neemt onze paspoorten mee door de douane voor ons. De ellenlange rijen laten we achter ons. Nog niet eens binnen, en ik gedraag me al als een koloniaal. Later staan buiten de ramen de mensen van Artsen zonder Grenzen. Ik vertel over mijn snelle binnenkomst en Daniel, de gestudeerde Ethiopische coördinator, snuift minachtend. „They behave as if they own this country, these Lebanese”, zegt hij.

Zondag

Ik heb verschrikkelijk geslapen in het Artsen zonder Grenzen-huis in Abidjan, een oud koloniaal pand in de ‘rijke’ buurt van de stad. Straten zijn hier van platgeperst zand en leem, tussen begroeide muren waarachter de huizen verscholen gaan. Eigenlijk zie je niets. Is dit een stad?

Het is drukkend warm en er zijn veel mensen op straat. „Ja, het is hier veilig”, is me verzekerd. Dat voel ik niet zo, maar dat geeft niet. Gisteravond heb ik met het team in een van de ‘maquis’, de openluchtrestaurantjes, gegeten en voor het eerst een soort vakantiesensatie gehad.

Vroeg opgestaan. Met Daniel en de chauffeur heb ik de tocht naar Danane gemaakt, een tocht van 9 uur. Minstens dertig geïmproviseerde checkpoints passeren we, eerst die van het regeringsleger, daarna die van de VN, en, eenmaal in het westen, die van de rebellen. De meeste mensen moeten dokken als ze langs de soldaten willen, een verkapte en waarschijnlijk illegale vorm van soldij-inning. Wij mogen overal door met onze Artsen zonder Grenzen-wagen.

Maandag

De ‘residence’ van Artsen zonder Grenzen in Danane waar wij, expats slapen, is een soort compound, ommuurd, met verschillende gebouwen op een erf. Er wordt gegeten op een verhoogde vlonder met een dak van palmbladeren met de andere expats.

Alles is basic, maar oké. Het eten is lekker en divers, en wordt gekookt door Yves, de kok, en Françoise, de kokkin. Ik ben weliswaar onherstelbaar vroeg wakker geworden door het zingen van de muezzin en de verstikkende geur van de houtvuurtjes overal, maar heb wel geslapen in mijn stoffige, hete kamer, op een bed van ruw hout onder een muskietennet.

In de vroege ochtendhitte zijn wij, idioten, gaan hardlopen in het dorp. Met de mobilofoon in de hand (elke verplaatsing moeten we melden – dat is het protocol) sjokken we door de stoffige roodlemen straatjes, met het vele vuilnis overal. Ademen is moeilijk, maar we zetten door tot het zweet zelfs van mijn oorlellen slaat.

Daarna ontbijt en een uitgebreide rondleiding door het ziekenhuis. Het accent ligt op de moeder- en babyafdeling. Een oude, niet bepaald schone ruimte met acht roestige bedden, met muskietennetten erboven. Een meisje van nauwelijks zestien met een baby van nog geen kilo perst melk uit haar borst en druppelt het op een klein plastic schoteltje. Zij staat hier onder curatele om haar kind bij te voeden dat steeds verder af dreigt te vallen. De druppels moeten in een spuit die ze in het mondje leegt. Ik zie de moedeloosheid van dit zestienjarige kind als ze gaat staan en afwezig tegen de bedstijlen komt leunen. Het is de neiging tot vluchten die ik voel, een haast onmerkbare beweging die vecht met het instinct dat van haar wordt verwacht: weg van dit vreselijke, kleine, enge behoeftige ding waar ze nooit om heeft gevraagd.

Hierna woon ik nog een bevalling bij, een achteloze gebeurtenis op een hoog tafeltje in een viezig soort keuken. De vrouw kreunt wat en er floept met enig geduw en getrek een zwartig wezen uit haar. Het kindje wordt door twee plaatselijke vroedvrouwen meteen in koud water gewassen en in een niet al te schone lap op een soort rijdend bijzettafeltje gelegd, waar er nog een ligt. Als larven, denk ik. Hun moeders talen niet naar ze, zegt Patricia. Als ze de moeder uiteindelijk de verkeerde larf geven`, zou het me niet verbazen. Het enige verschil lijkt de kleur van de omslagdoek…

Dinsdag

Vandaag ga ik mee met de mobiele kliniek. Artsen zonder Grenzen-auto’s gaan het oerwoud in, naar de dorpen. In Gengay weten ze dat Artsen zonder Grenzen er dinsdag is, en de mensen zullen er staan te wachten. De tocht erheen is adembenemend, door het wildste, dichtste bos dat ik ooit zag.

Als we aankomen, zitten al veel mensen te wachten, en die ochtend zullen zij die van ver komen langzaam allemaal binnendruppelen en zich op het buitenpleintje verzamelen. Er staan hier een paar oude gebouwtjes uit de Franse tijd en in elke ruimte zijn vanmorgen snel een paar verpleegkundigen geïnstalleerd, meest lokale vakmensen. Ik breng een uur bij de vroedvrouw door en zie een hele rij vrouwen voorbij komen die hun lappen afleggen, op de verkleedtafel gaan liggen en worden onderzocht.

De moeders zijn bijna allemaal piepjong, veertien of vijftien jaar. De paar oude, van vijfentwintig, hebben er al elf bevallingen opzitten. Tja, zegt Priscilla, de vroedvrouw hier, in die dorpen… er is ’s avonds niets te doen, helemaal niets. Het is donker. Seks is een goede afleiding.

Terug in Danane blijkt het kleine babytje twee ons te zijn aangekomen!

Woensdag

Ik breng een ochtend door op de kliniek. Ik besluit met een aanstaande moeder te gaan praten. Vanessa is hoogzwanger, en ziet er intelligent uit. Ze is al twintig. Dat komt, vertelt ze, doordat ze naar school ging. Ze wil secretaresse worden en naar een andere stad verhuizen. Het is hier heel erg geweest, vertelt ze. Alles werd hier geplunderd door de rebellen, alles gestolen en kapot gemaakt.

Het grote aantal zwangerschappen van de andere meisjes en hun jonge leeftijd verklaart zij door de armoede en wanhoop van velen van hen. Die gaan met mannen mee, zegt ze, hebben geen keus. Of ze werden verkracht door de rebellen. Seks is dus ook een betaalmiddel, tegen de angst. Vanessa heeft een verloofde, vertelt ze, ja, ze is gelukkig met deze zwangerschap.

Hierna zit ik een tijdje bij Habiba, de hoofdverpleegster die alle zwangere vrouwen voorlicht over hiv en hen op allerlei slimme manieren overhaalt om zich te laten testen voor hun baby komt. Ze houdt een soort spreekuur voor vrouwen die positief getest zijn. Hiv is ongeveer het grootste taboe hier. En dan komt, tot mijn verbazing, als eerste binnen: Vanessa. Intelligente, weloverwogen Vanessa blijkt hiv-positief. Ik schrik, maar probeer het te verbergen. Vanessa neemt al een tijdlang de pillen die Habiba haar voorschrijft en die moeten voorkomen dat ook haar baby ziek wordt. Nu moet haar man het nog weten, want anders zijn de pillen nutteloos. Maar dat kan gevaarlijk zijn. Vandaag nog werd een vrouw die aids had verstoten door haar man. Habiba heeft een truc. Een allang geteste en positief bevonden vrouw moet haar man zeggen dat ze zich niet lekker voelt en dat ze wil worden getest. Hij moet dan meegaan, voor haar. In het ziekenhuis, zo is afgesproken, doen ze dan alsof ze de vrouw voor het eerst zien en stellen een hiv-test voor. De vrouw zegt ja, en moet dan de man overhalen om het ook te doen. Als die het ook heeft, kunnen ze beiden een behandeling krijgen die zin heeft.

Die middag laat Vanessa’s man zich testen. Habiba grijnst trots.

Donderdag 15 maart

Vandaag rijden we ’s middags naar het andere onderkomen van Artsen zonder Grenzen, in Bin Houyé, vijf kwartier rijden vanaf Danane. Bin Houyé ligt in regeringsgebied, waar verschrikkelijk is gevochten, maar is alweer geruime tijd rustig. Ross, een Engelsman, sinds een maand of vijf expat, is wat lusteloos geworden in zijn eenzaamheid. Er is geen mobiel netwerk, en ook geen internet en de omstandigheden zijn hier vele malen primitiever dan in Danane. Met Ross en Carolyn, de andere expat die hier woont, bezoek ik het marktje en koop kanariegele slippers.

Carolyn is gewend aan de primitiefste omstandigheden, ze woonde een tijdje in India, waar ze tussen de kakkerlakken sliep. Ze staat erop dat ik haar bed neem.

’s Avonds kijk ik met zes zwarte stafleden van Artsen zonder Grenzen naar de vertoning van Blood Diamonds, een film met Leonardo di Caprio, die in Sierra Leone en Liberia en Guinee speelt, allemaal op een paar uur afstand van waar nu zitten. Voor het eerst in drie maanden regent het en de eerste helft van de film wordt het geluid van de film overstemd door het gekletter van het water op het afdak.

Het heeft iets hallucinerends hier zo te zitten, op een plek waar nog maar kort geleden zo gevochten is. De hele, ongehoord gewelddadige film lang, die zo dicht op ieders huid zit, wordt er eindeloos gegiecheld. De manier waarop de rebellen de dorpen ingaan en de vrouwen verkrachten en iedereen vermoorden: ja, zo is het hier precies gegaan, zegt de chauffeur van onze jeep me later.

Ross, de Engelsman, mag het gebrek aan actie hier betreuren, ik ben blij dat de machetes nu in het huishouden worden gebruikt. Vrede lijkt nabij, maar vraag is: kan Artsen zonder Grenzen dan ook naar huis? Ik wel, in elk geval, morgen al…..