‘Gevangenisdirecteur zit hier niet op te wachten’

Gedetineerden die zich misdragen, riskeren dat zij niet vervroegd worden vrijgelaten, aldus een wetsvoorstel. „Dit leidt tot schijnaanpassingen.”

Dat er einde komt aan de praktijk dat een veroordeelde automatisch na tweederde van zijn straf vrijkomt is goed. Maar het huidige wetsvoorstel voor de voorwaardelijke invrijheidstelling legt te veel nadruk op het gedrag van gedetineerden in de gevangenis, zegt hoogleraar penitentiair recht Paul Vegter. „Hier zitten gevangenisdirecteuren echt niet op te wachten. Dit zal leiden tot extra spanningen tussen gedetineerden en bewaarders”.

Het wetsvoorstel, waarvan deze week bleek dat het op steun van een meerderheid van de Tweede Kamer kan rekenen, voorziet er in dat er aan gevangenen voorwaarden gesteld kunnen worden voordat ze vervroegd worden vrijgelaten. Nu gebeurt dat nagenoeg automatisch, na tweederde van de straf. Zelfs als iemand na zijn vervroegde vrijlating een strafbaar feit begaat, dan betekent dat niet dat hij zijn oorspronkelijke straf verder hoeft uit te zitten.

Dat gaat straks veranderen: de vervroegde vrijlating wordt een voorwaardelijke vrijlating. „Dat er wat aan deze situatie moest veranderen, daarover was iedereen het wel eens”, zegt Vegter. De hoogleraar, tevens raadsheer in Arnhem, was in 2002 de voorzitter van de commissie die de minister over dit onderwerp adviseerde.

De gedachte achter de wetswijziging is dat met het stellen van voorwaarden aan de invrijheidstelling gedetineerden beter worden voorbereid op een terugkeer in de samenleving. Zo kan er bijvoorbeeld van gedetineerden worden geëist dat een cursus of therapie gaan volgen, en dat ze geen alcohol of drugs gebruiken. Vegter is hier enthousiast over. „Hierdoor kun je een terugkeer in de samenleving verbeteren, en daarmee ook de veiligheid bevorderen.”

Maar volgens het voorstel van minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) kunnen disciplinaire straffen die tijdens detentieperiode worden opgelegd, er toe leiden dat gedetineerden later of helemaal niet meer eerder vrijkomen. „Dat leidt tot schijnaanpassingen die niets zeggen over het gedrag ná de celstraf. De grote criminelen weten precies hoe ze zich moeten gedragen. Als een bewaarder nu vaststelt dat er drugs is gebruikt, zal de gedetineerde grote druk uitoefenen om dit niet te melden. Dat leidt tot onnodige spanningen”, zegt Vegter. Volgens hem hebben gevangenissen nu bijvoorbeeld met de tijdelijk geïsoleerde opsluiting of andere disciplinaire straffen mogelijkheden genoeg om gedetineerden die zich misdragen, aan te pakken.

Vegter maakt zich ook op een ander punt zorgen. „Is er wel een organisatie die de gedetineerden kan begeleiden en de voorwaarden kan invullen”, vraagt hij zich af. Vegter wijst op de forse bezuinigingen op de reclassering in de achterliggende jaren. Zo komen maatschappelijk werkers van de reclassering nog nauwelijks in de gevangenis. „Terwijl je juist in de bajes moet kijken wat er daarna moet gebeuren. Daar heb je mensen voor nodig die weten wat de gedetineerde na de celstraf nodig heeft.” Ook is de inhoud van het werk van penitentiair inrichtingswerkers (de bewaarders) veranderd. „Waar je vroeger 1 piw’er had op 12 gedetineerden, gaat dat nu om een veelvoud daarvan.”

De commissie-Vegter stelde dat met veranderingen van de vervroegde invrijheidstelling 37 miljoen euro nodig was. Hirsch Ballin wil er echter maar 15,3 miljoen euro voor uittrekken. Hij meent dat dat genoeg is om gedetineerden te begeleiden. Vegter vindt het onvoldoende. „Er gebeurt nu structureel te weinig aan het bevorderen van een goede terugkeer van gedetineerden in de samenleving.”