Geen vast recept voor oudere werknemers

Ouderen merken niets van de nood die op de arbeidsmarkt heerst. Ondanks de overheidsretoriek over langer doorwerken in de vergrijzende samenleving is er bij werkgevers weinig vraag naar hen. Ze solliciteren wat ze kunnen, maar oogsten meestal slechts afwijzingen. Werving wordt vaak alleen onder schaarser wordende jongeren gedaan, vaak door hardwerkende ouderen die beter weten. Na ontslag heeft een op de drie vijftigplussers na drie jaar nog geen baan. Nu de uitkeringsperiode voor WW is verkort tot drie jaar, komt dat financieel harder aan. De bijstand rest. Het is wrang om uit armoede het huis te moeten verkopen, terwijl vacatures blijven openstaan.

De oorzaak van deze wanverhouding is een jarenlange geschiedenis van ouderen die plaats moesten maken voor jongeren. De oudere hielp vroeger jonge werklozen aan een baan door zijn werkuren terug te schroeven, WAO’er te worden of door ver voor zijn vijfenzestigste met pensioen te gaan. Twee jaar geleden nog gaf de overheid het slechte voorbeeld door oudere ambtenaren vervroegd te laten pensioneren.

Het gevolg is dat ouderen nog steeds worden gezien als improductieve ballast. Die indruk wordt versterkt doordat in veel cao’s vanaf het vijfenvijftigste jaar het aantal vrije dagen exceptioneel toeneemt, terwijl het loon niet daalt. Dat maakt ouderen onnodig duur. In landen waar ouderen minder speciale regelingen hebben, zoals Groot-Brittannië of de Verenigde Staten, wordt minder naar hun leeftijd gekeken. Het is daar gemakkelijker voor vijftigplussers om naar een andere werkgever over te stappen.

Het nieuwe kabinet maakt het er niet beter op door WAO’ers al vanaf hun 45ste jaar niet meer te laten herkeuren. Nog steeds verzuimen mensen te veel werkdagen doordat de behandelende arts hen te gemakkelijk naar huis stuurt tegen de wens van de bedrijfsarts in. Thuis gaan werknemers vaak verder achteruit omdat ze niets omhanden hebben. Ook houdt het kabinet hardnekkig vast aan de levensloopspaarregeling die kan worden ingezet om vervroegd te pensioneren.

In andere landen weten ze allang dat ouderen even productief zijn als jongeren. Wat ze inboeten aan snelheid, compenseren ze door ervaring. Werknemers die geen zware lichamelijke arbeid verrichten, hebben geen reden om het op hogere leeftijd kalmer aan te doen. Ze kunnen nog even goed mee. Wie minder wil werken, moet ook minder verdienen.

Er is geen vast recept te geven voor langer doorwerkende ouderen. Dat bestaat in het buitenland ook niet. Sommige werknemers, zoals leraren, zijn hard nodig en kunnen met extra financiële prikkels langer op hun post blijven. Anderen willen of kunnen misschien alleen ander werk gaan doen waar scholing voor nodig is. Maar dat geldt niet voor iedereen. Ouderen mogen niet worden overgeslagen voor bedrijfscursussen die jongeren wel krijgen. Een oudere monteur moet leren welk nieuw model verwarmingsketel op de markt komt maar het heeft geen zin om iedere oudere zomaar extra cursussen te geven. Dat geldt ook voor verlaging in rang en in loon, nu nog een taboe voor de vakbeweging. In een aantal gevallen is dat verstandig, maar het mag ook geen automatisme worden voor ouderen zoals eerder het vervroegde pensioen. Sommige vijftigplussers zullen zelf van baan willen veranderen, een rang lager of hoger, en dat moet gemakkelijker worden dan het nu is. Er zijn net zoveel soorten oude medewerkers als jonge.