De juiste verhoudingen tussen kerk en staat

Met instemming heb ik het zeer goede artikel gelezen van Margriet de Moor `Ik hou van religie, maar ik mis Hirsi Ali` (Opinie & Debat, 10 maart). De veronderstelling echter dat de uitspraak in het evangelie van Matteüs ”Geeft de keizer wat des keizers is, en aan God wat van God is” iets te maken zou hebben met de scheiding tussen kerk en staat, is weliswaar al eeuwenlang gemeengoed, maar desalniettemin onjuist. Op de strikvraag of het geoorloofd is om aan de keizer van Rome (de bezetter) belasting te betalen of niet, vraagt Jezus hem een munt te tonen. (Zegt Hij ja, dan is Hij een collaborateur; zegt Hij nee, dan is Hij een oproerkraaier). Vervolgens vraagt Hij van wie de beeltenis op de munt is. Van de keizer, luidt het correcte antwoord. Daarop antwoordt Jezus: ”Geeft dan aan de keizer, wat des keizers is, en aan God wat van God is”. Geef de keizer alles waarop zijn beeltenis, zijn zegel, zijn stempel staat: geld, goud, zijn legers, zijn aardse macht. Maar de mens die naar Gods `beeltenis` en gelijkenis geschapen is, die draagt Gods beeld, Gods zegel en stempel. De mens dient dus zijn gehele persoon, zijn hart en ziel, lichaam en geest aan God te geven. In het verlengde hiervan ligt de uitspraak dat men God meer dient te gehoorzamen dan de mens (de koning). Christenen bidden dientengevolge wel voor de koning, maar nooit tot de koning. Dit laatste bracht hen in conflict met de Romeinse machthebbers en brengt hen nog steeds in conflict met vergelijkbare hedendaagse potentaten. Hoe goddelozer de regimes (communisme, nazisme) des te groter de conflicten met gelovigen. Want goddeloze heersers beheersen graag de héle mens. De uitspraak in het evangelie van Matteüs beoogt dus niet zozeer een scheidslijn aan te brengen tussen kerk en staat, dan wel de juiste verhoudingen aan te geven.