Blussen na de brand

De Nederlandse brandweer presteert onder de maat. Pogingen de korpsen onder centraal gezag te brengen zijn tot nu toe op niets uitgelopen. „Dat tackle je dan.”

In de stal is een rode gloed te zien; rook kringelt vanonder het lage dak. Het is een kille en mistige februariavond even buiten Veghel, in Zuidoost-Brabant. De grijze walm uit de rookmachine drijft langzaam over het terrein van de boerderij.

Precies tien minuten na de eerste radiomelding (‘explosie in een rundveehouderij’) scheurt tankautospuit 833 van de brandweerpost Erp het donkere erf op. Bevelvoerder Rudy Bongers springt uit de brandweerauto, schreeuwt, wijst. „Twee man, verkennen! Wie is er hier bekend?’’

Dinsdagavond is oefenavond voor de vrijwillige brandweer van de gemeente Veghel. Het scenario is gebaseerd op een ongeluk dat hier vorig jaar in de buurt plaatshad. Tijdens een stroomuitval kwam een rundveehouder op het onzalige idee zijn stallen te inspecteren met een geïmproviseerde fakkel van opgerolde oude kranten. Toen hij zich over de mestput boog, explodeerde het methaangas dat zich daar had verzameld. Nu ligt de ‘boer’ – een figurant – in de brandende stal, bekneld onder een betonnen voerbak.

Die laatste complicatie is bedacht door beroepskracht Jan Verstegen. Samen met brandweercommandant Hans van Hoof en een viertal vrijwillige waarnemers van nevenpost Erp beoordeelt hij ‘ploeg II’, onder leiding van de kersverse bevelvoerder Rudy Bongers. In het echte leven runt Bongers een bedrijf in dak- en gevelbeplating. Zo hebben alle druk heen en weer rennende brandweermannen en -vrouwen overdag een andere baan. Verstegen somt de beroepen op: laborante, automonteur, veehouder, productiemedewerker bij ‘de Mars’ (de Veghelse levensmiddelenfabrikant Masterfoods). „Allemaal uit Veghel en Erp”, roept Verstegen.

Het blussen duurt lang. Bevelvoerder Bongers heeft een van zijn ploegen geposteerd bij het nep-slachtoffer, dat in de schuur met geschminkte brandwonden bij een blok beton grijnzend zit te kermen. Het andere team moet in zijn eentje op zoek naar de ‘brandhaarden’ – twee rode lampen in plastic kisten. Was het een echte brand geweest, dan was het slachtoffer intussen gestikt, zegt Jan Verstegen. Oefenen met echt vuur en echt water is moeilijk te organiseren – en duur. Een keer per jaar oefent de Veghelse brandweer in een oefencentrum bij Zutphen. „Vorig jaar kwamen we er achter dat we de blustechnieken onvoldoende beheersten’’, zegt Verstegen.

Drie feiten over de Nederlandse brandweer. 1: alleen de brandweerkorpsen in de grote steden zijn professioneel. De rest van de brandweer leunt zwaar op vrijwilligers, geleid door professionele kaderleden. Met 22.000 leden is de vrijwillige brandweer de grootste vrijwilligersorganisatie van Nederland – groter dan het Rode Kruis.

2: de brandweer is op lokale schaal georganiseerd. Het is de gemeente die verantwoordelijk is voor een goede ‘brandweerzorg’, zo stelt de Brandweerwet uit 1985. Pogingen om de brandweer te centraliseren zijn tot nu toe mislukt.

3: de brandweer in Nederland presteert onder de maat. De grote rampen van het afgelopen tien jaar (de Herculesramp, Eindhoven, Enschede, Volendam, Schiphol), hebben dat aan het licht gebracht. De Nationale Ombudsman, de Commissie-Alders, de Onderzoeksraad voor de Veiligheid van Pieter van Vollenhoven: allemaal constateerden ze dat de Nederlandse brandweer feitelijk niet goed is toegerust op haar taak. Er wordt te weinig geoefend, en er zijn te weinig communicatiemiddelen om met succes ‘grootschalig’ te kunnen optreden bij calamiteiten.

Het sombere beeld wordt bevestigd door de inspecteurs van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De afgelopen jaren heeft de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) een lange reeks kritische rapporten over het functioneren van de brandweer gepubliceerd. Telkens weer constateerde de IOOV dat de gemeentelijke brandweerkorpsen de landelijk vastgestelde normen op het gebied van brandweerzorg niet halen. Een voorbeeld: de norm voor de ‘opkomsttijd’ bij brand is acht minuten. Maar bijna de helft (47 procent) van de Nederlandse gemeenten accepteert een langere opkomsttijd van hun brandweer, soms tot een kwartier, zo blijkt uit het rapport Bestuurlijke aansturing van de brandweerzorg, van 9 februari dit jaar. In het onderzoek stelt de IOOV dat gemeenten verregaand tekortschieten in die taak. Zo bleek 60 procent van de onderzochte gemeenten überhaupt niet in staat om gegevens te produceren over de opkomsttijden, terwijl, zo schrijft de IOOV, „dit elementaire bedrijfsgegevens betreft”. De IOOV noemt dit „onthutsend”.

De vrijwillige brandweer in Veghel bestaat uit 53 leden. Het korps wordt geleid door vier professionals: commandant Hans van Hoof, medewerker rampenbestrijding Leo Verwegen, preventiemedewerker Marco Troost en Jan Verstegen, verantwoordelijk voor oefeningen en trainingen. De vier maken géén deel uit van de beroepsbrandweer, zeggen ze. „We zijn als gemeenteambtenaar tewerkgesteld bij de brandweer”, vertelt commandant Hans van Hoof. De recente ophef over de verhoging van het functioneel leeftijdsontslag van brandweerpersoneel (nu 55 jaar) is aan hen voorbijgegaan. „Wij moeten gewoon werken tot ons 65ste.”

De vrijwilligers Martijn Jans (30) en Bea Steegs (36) zitten in de kantine op de bovenste verdieping van de brandweerkazerne aan het Stadhuisplein. Deze dinsdag hebben ze ‘binnen’ geoefend, om hun trainingsachterstand met ‘ademlucht’ weg te werken. Nu zitten ze aan het bier, hoewel ze misschien zo meteen moeten uitrukken. „Eentje kan wel”, zegt Martijn. „Eerlijk zijn”, lacht Bea. „Twee ook wel.”

Bea werd ooit gevraagd voor de bedrijfsbrandweer. Ze vond het werk gaaf. „Spannend.” Martijn raakte als kleine jongen al aangestoken door het brandweervirus. „Mijn oudste broer zat bij de vrijwillige brandweer. Op de boerderij kwamen ze altijd oefenen.” In Veghel zit de liefde voor de vrijwillige brandweer wel vaker in de familie. Bij Toine van Lieshout (50), bijvoorbeeld. Zijn vader zat er al bij. „Ik heb brandweerbloed.”

Maar het is de vraag hoe lang de brandweer nog kan draaien op vrijwilligers. De animo is tanend. De komende vijf jaar zal een groot deel wegens de leeftijd afzwaaien. Maar brandweermannen en -vrouwen vertrekken ook om persoonlijke redenen, of omdat werkgevers steeds minder enthousiasme kunnen opbrengen voor personeel dat in geval van alarm alles uit de handen laat vallen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken is zich bewust van dat probleem en zoekt naar mogelijkheden om het brandweerwerk fiscaal aantrekkelijker te maken. Ook wordt gekeken naar de kerntaken van de brandweer. Werkgevers zien hun personeel nu vaak uitrukken voor taken die veel tijd kosten, maar niets met blussen te maken hebben, zoals het schoonmaken van de straat na een verkeersongeval, of de spreekwoordelijke kat die uit de boom moet worden gehaald.

Geloof het of geloof het niet: Veghel is de vierde ‘zakenstad’ van Nederland. Master Foods, het bedrijf dat Marsrepen en Bounty’s maakt, is de grootste chocoladefabriek van Europa. Groothandel Sligro komt uit Veghel, net als melkfabriek Campina. Preventiemedewerker Marco Troost laat in zijn rode brandweerauto de uitgestrekte bedrijventerreinen rond het Brabantse kerkdorp zien. Overal schieten nieuwe bedrijfspanden uit de grond.

De Veghelse supermarktketen Jumbo is ook aan het bouwen. Met manager Luc van Rens loopt Marco Troost door het gigantische en gloednieuwe distributiecentrum. Als preventiemedewerker is Troost verantwoordelijk voor het controleren van de brandveiligheid in alle gebouwen in de gemeente Veghel. Eigenlijk zijn bedrijfsruimtes van meer dan 1.000 vierkante meter niet toegestaan, zegt Troost. En dus is bij de Jumbo paragraaf 1.5 van het Bouwbesluit toegepast: het ‘gelijkwaardigheidsbeginsel’. Door middel van een ‘vuurlastberekening’ is becijferd hoe lang opgeslagen levenmiddelen in de gigantische distributiehal zullen branden. Zo lang moeten de brandwerende muren het houden. „Daarna is de vuurlast op en is de brand uit’’, zegt Troost.

Volgens Marco Troost wordt het werk van de ‘preventist’ steeds complexer. De regels zijn ingewikkeld. Er komen steeds nieuwe materialen. Troost probeert zo veel mogelijk te lezen. „Maar als je alles wil weten, dan moet je een geleerde zijn.” Ook worden de aanwijzingen van de brandweer niet meer klakkeloos opgevolgd. Als Troost de bouwtekeningen heeft goedgekeurd, volgt vaak nog een bezuinigingsronde – niet zelden ten koste van de brandveiligheid. Ondernemers laten zich bijstaan door commerciële bureaus, die uitrekenen wat nog net wettelijk is toegestaan. „Vroeger zei men: de brandweer heeft altijd gelijk”, zegt Troost. „Nu vraagt men: waar staat dat in de wet?”

Na de rampen in Enschede (2000) en Volendam (2001) bleek dat veel gemeenten hun bouw- en gebruiksvergunningen niet op orde hadden. Binnen vier jaar moest die achterstand worden ingelopen, zo werd afgesproken. In 2006 was dat nog niet gebeurd, zo constateerde de IOOV. Volgens de inspectie had een derde nog „een forse achterstand” bij het verlenen van gebruiksvergunningen. Slechts een derde van de gemeenten ziet volgens planning toe op de naleving van de vergunningen.

De gemeente Veghel heeft de achterstand inmiddels weggewerkt, zegt Troost. Over Jumbo is hij grotendeels tevreden. „Over een paar puntjes krijg je nog een brief’’, zegt hij tegen manager Van Rens. „Doen we altijd’’, vertelt Troost als we buiten staan. „Dan kunnen ze nooit zeggen: dat heb ik niet gehoord.”

Het nieuwe stadhuis van Veghel ligt tegenover de brandweerkazerne, aan een wat troosteloos nieuwbouwplein uit de jaren zeventig. Drie mannen zitten naast elkaar: medewerker rampenbestrijding Leo Verwegen, brandweercommandant Hans van Hoof en de burgemeester van Veghel, Arno Frankfort (VVD). De burgemeester is het meeste aan het woord. Hij heeft het over aanpakken en problemen oplossen: „Dat tackle je dan.”

Frankfort is in zijn nopjes . „De afgelopen vijf jaar hebben wij hier op het gebied van brandveiligheid een enorme inhaalslag gemaakt”, zegt de burgemeester. Deze week is net het nieuwe plan voor de brandweer goedgekeurd. De vrijwillige brandweer krijgt er drie professionals bij. Daarmee is het personeelstekort opgelost, zegt Frankfort. „Ik heb de overtuiging dat wij gedaan hebben wat nodig is.”

Brandweerzorg is in Nederland nog steeds het prerogatief van Nederlands kleinste bestuursorgaan: de gemeente. Maar als de brandweerzorg in Veghel echt zo goed geregeld is als Frankfort zegt, dan is Veghel de uitzondering op de regel.

Voor haar laatste onderzoek zocht de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) samenwerking met hoogleraar bestuurskunde Fred Fleurke van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. De conclusies van het rapport Bestuurlijke aansturing van de brandweerzorg zijn hard. Gemeenten laten zich weinig aan de brandweer gelegen liggen. Brandweercommandanten mogen niet meepraten in overlegorganen. ‘Het zal wel goed zijn’, is de teneur. De waarheid is dat in tachtig procent van de gemeenten die de IOOV onderzocht, een tekort is aan ondersteunend personeel, voor preventie, voor oefeningen en trainingen. Volgens de inspectie is de steekproef representatief voor heel Nederland. De gemeente Veghel is niet onderzocht.

Het adviesbureau Van Dijke heeft dat wel gedaan in opdracht van de Hulpverleningsdienst Brabant-Noord. Het bureau concludeerde in 2004 dat geen enkel brandweerkorps in dit deel van Brabant in staat is om een fors ongeluk of calamiteit het hoofd te bieden. Zoals bij een grootschalige stroomuitval of ongelukken met brandbare en explosieve stoffen. Niet denkbeeldig in industriestad Veghel. Van Dijke deed in zijn advies een dringende oproep om in ‘Den Haag’ deze problemen aan te kaarten. De enige oplossing, volgens het bureau: meer samenwerking.

Ook volgens de IOOV hebben veel gemeenten „onvoldoende capaciteit om alle brandzorgtaken adequaat uit te voeren’’. Gemeenten zouden die taken kunnen uitbesteden aan de regionale brandweer, die in 1985 in het leven werd geroepen. De IOOV constateert dat dit niet of nauwelijks gebeurt. Bestuurders zijn huiverig voor het inleveren van bevoegdheden. Om de schaalproblemen op te lossen, worden verbanden aangegaan met buurgemeenten – en niet met de brandweerregio. Zo houdt de burgemeester zeggenschap.

Ook in Veghel houdt men het liever lokaal: om de tekortkomingen op te lossen, zal er worden samengewerkt op ‘districtsniveau’, tussen de gemeenten Veghel en Uden. De plannen zijn net goedgekeurd door de gemeenteraad, zegt burgemeester Frankfort. „Gisteren hebben we in dat proces onomkeerbare stappen gezet.” Maar het plan is een compromis. Eerdere pogingen om de brandweerkorpsen van Uden en Veghel samen te voegen, leden schipbreuk. Nu is overeengekomen dat de preventietaken van beide korpsen in één organisatie zullen worden ondergebracht, samen met die van de gemeente Landerd. Er wordt nog gezocht naar een ‘intergemeentelijke brandweercommandant’ die aan de samenvoeging van deze ‘koude brandweertaken’ leiding moet geven. Over de ‘warme brandweertaken’ (het blussen) krijgt die commandant niets te zeggen.

Niet alleen de bestuurders waren tegen verregaande samenwerking. Ook de brandweervrijwilligers waren bang dat ‘hun’ brandweerkorps zou verdwijnen door fusie met ‘die van Uden’. „Al die vrijwilligers zijn ingebed in onze lokale samenleving”, zegt burgemeester Frankfort. „Laten we dat vooral niet weggooien.” De burgemeester roemt de gemeenschapszin „onder de rivieren”. Als er een ramp gebeurt, dan kan men op elkaar rekenen in Veghel. Neem de storm van een paar weken geleden: 60 verschillende incidenten. „Dat tackle je dan”, zegt Frankfort weer. Brandweercommandant Hans van Hoof en Jan Verstegen zaten aan de telefoon. De burgemeester reed met het hoofd van de politie door het dorp. En de brandweervrijwilligers? „Die kwamen allemaal zelf naar de kazerne”, zegt Frankfort. „Die gingen omgewaaide bomen zagen.”

In 1985 werd de Burgerbescherming (BB) wegens bezuinigingen opgeheven. In plaats daarvan kwamen er dankzij de nieuwe Brandweerwet 25 regio’s, die een centrale rol zouden moeten spelen in de rampenbestrijding. Sommige brandweerregio’s, zoals Amsterdam en Rotterdam, hebben wat in de melk te brokkelen. Bijna overal elders speelt de regio nog een ondergeschikte rol, en bepalen de gemeenten wat er gebeurt.

De afgelopen jaren heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken veel energie gestoken in het verbeteren van de rampenbestrijding. Brandweer, politie en ambulancediensten moeten gaan samenwerken in ‘veiligheidsregio’s’, zo is de bedoeling. Een wetvoorstel daartoe ligt bij de Raad van State. In de tussentijd probeert de Rijksoverheid lokale bestuurders met subsidies tot samenwerking aan te zetten. Bovendien verplicht de Wet rampen en zware ongevallen de regio’s te inventariseren op welke risico’s ze moeten zijn voorbereid.

Dat gebeurt met de ‘Leidraad Maatramp’. Maatramp 5 is een worst case scenario: een grote dijkdoorbraak, of een Boeing 747 die neerstort op een woonwijk. Maatramp 1 is een groot verkeersongeluk op de provinciale weg, waarbij meerdere voertuigen zijn betrokken.

In 2004 hebben alle regio’s de risico’s geïnventariseerd. Vervolgens is aan de hand van ‘Leidraad operationele prestaties’ (LOP) vastgesteld of de regio ook het gewenste ‘zorgniveau’ kan leveren, mocht de ramp zich voordoen. In geen enkele regio is dat het geval. Amsterdam en Rotterdam zijn voorbereid op een maatramp 3. De overgrote meerderheid van de regio’s is slechts voorbereid op niveau 1 (een verkeersongeluk). Sommige regio’s, zoals Friesland, halen zelfs dat niveau niet.

De provincie heeft als taak toe te zien op de rampenbestrijding van de regio’s. Het afgelopen najaar rapporteerden alle commissarissen van de koningin aan toenmalig minister Remkes over de stand van zaken. Niet alle ‘CdK’s’ zijn even openhartig in de ‘bestuurlijke rapportages’. Prestaties worden vaak opgepoetst, tekortkomingen gemaskeerd. Er is maar één conclusie mogelijk: het niveau van de rampenbestrijding in Nederland ligt ver onder het vereiste niveau. De regio kan „de norm van de vereiste operationele prestaties [...] niet behalen”, schrijft commissaris van de koningin H. Maij-Weggen (CDA) van Noord-Brabant over de behaalde resultaten. De provincie Zeeland, met zware petrochemische industrie en twee kerncentrales (Borssele en Doel, vlak over de Belgische grens), scoort voor verschillende scenario’s een ‘maatramp 5’. Desondanks komt de rampenbestrijding niet of nauwelijks van de grond, schrijft commissaris van de koningin Van Gelder aan het ministerie van Binnenlandse Zaken: „Het is bekend dat voor de bestrijding van een eventuele calamiteit, met name de eerste uren, te weinig hulpverleningscapaciteit beschikbaar is.”

Erp, dinsdagavond. De brand in de rundveestal is gedoofd en de ‘gewonde boer’ is per ambulance afgevoerd – levend en wel. Commandant Hans van Hoof evalueert de oefening met de ploeg van tankautospuit 833. „Je zat meteen met een dilemma”, zegt hij tegen de bezwete bevelvoerder Bongers. „Redden of eerst blussen.” Van Hoof heeft „een paar kleine puntjes” – zo heeft Bongers de tankautospuit benedenwinds op het erf laten staan. Maar voor de rest is de commandant van de brandweer in Veghel tevreden. Op 21 april is er de ‘112-wedstrijd’ in Sint Michielsgestel. Dan zal Erp zich moeten meten met andere brandweerploegen uit de regio. Van Hoof ziet de brandweerwedstrijden met vertrouwen tegemoet. „Het is goed gegaan, vanavond.”