Binnen de hekken

De Utrechtse wijk Ondiep was deze week het toneel van onlusten. Verslag vanuit de huiskamer.

Hij heet Kees Diemer, maar in het wijk noemen ze hem de kapitein, want hij is bij de mariniers geweest, voor zijn nummer. Hij ziet er ook uit als een kapitein, uit een kinderboek, met blauwe ogen en een grijze baard. Hij staat, woensdag begin van de middag, te praten bij de plek waar Rinie Mulder zondag werd doodgeschoten, bij de voetbalvelden van DHC’04, voorheen D.O.S. (Door Oefening Sterk) aan de Thorbeckelaan. Hekken, bloemen, een brief van de familie. Of iedereen zich rustig wil houden, anders kan donderdag de stille tocht niet doorgaan.

„Ik heb gehoord dat die motoragent hem recht in zijn hart heeft geschoten”, zegt hij tegen de man naast hem.

„Nee”, zegt de man. „In zijn hoofd. Hij heeft hem in zijn hoofd geschoten.”

„Wat een lafaard”, zegt Kees Diemer. „Nou mensen, ik ga maar weer eens op huis aan. Kijken waar m’n meissie is.”

Hij stapt op zijn fiets en rijdt, links en rechts groetend, door de Boerhaavelaan naar de straat waar hij woont, in een klein huis met een rood pannendak. De wanden hangen vol schilderijen van stads- en dorpsgezichten. Zijn vrouw is er niet, zeker boodschappen doen, dus zet hij zelf koffie en daarna vertelt hij hoe hij als jongen eens een halve koe had gestolen, bij een groothandelaar. Die merkte er toch niks van, en zij hadden eindelijk een keer goed te eten. „Het was geen stelen. Het was overleven.” Zijn ouders dachten er net zo over.

Hij vertelt ook hoe hij als veertienjarige begon aan de lopende band in een kartonfabriek, maar hij hield het niet vol, het was de hele dag je mót dit en je mót dat, en daar was hij te veel een avonturier voor. Hij ging van baas naar baas, totdat hij oud genoeg was om zijn rijbewijs te halen. Toen kon hij met een kiepauto zand en cement gaan rijden. Vrijheid. Nou ja, zogenaamde vrijheid. Toen de eerste buitenlanders kwamen, de gastarbeiders, toen dacht hij: nou moet ik maar eens van af van dat gewerk.

Naar de huisarts dus. Dat hij naar de psychiater wilde. „Met een gipsen poot sturen ze je nog naar je baas, en ik wou het in één keer goed doen.” Bij de psychiater tikte hij aan één stuk door op zijn knie en antwoordde hij op elke vraag dat het buiten zulk mooi weer was. Na een paar weken was hij waar hij wezen wilde: afgekeurd. „Ik kwam van de hel in de hemel.”

Sindsdien schildert hij, met behulp van dia’s die hij projecteert op een doek.

Hij staat op om de voordeur open te doen, want zijn vrouw komt eraan, op haar scootmobiel. Ze heeft een beroerte gehad en nu doet de rechterhelft van haar lichaam het niet goed meer. Hij loopt naar buiten en kijkt naar de mannen die op de kruising met de Boerhaavelaan camera’s aan het ophangen zijn. „O”, zegt hij. „Ze willen ons in de gaten houden.”

Hij gaat weer naar binnen en zegt dat het allemaal door de jeugd komt, wat er zondag is gebeurd. „Hangjeugd. Dat is hier al jaren zo. Wat zeg ik? Dat is hier altijd geweest. Zelf was ik ook hangjeugd. Ik was opperhoofd, zo noemden ze me toen, want ik ging altijd voorop.”

Belletje trekken. Appels stelen. Hoedje wippen. (Touwtje over de weg spannen om voetgangers te laten struikelen.) Achterop de bus springen en zo lang mogelijk meerijden. „Het verschil is, dat was onschuldig.”

Zijn vrouw, klaar met boodschappen uitpakken, zegt: „Wat ze nu doen, is de boel vernielen.”

Hij: „Ruiten van auto’s intikken.”

Zijn vrouw: „Keihard door de straat rijden op brommers.”

Hij: „Wij hadden niet eens brommers.”

Zijn vrouw: „Wat ook een verschil is, ze komen nu uit andere wijken. Degenen die hier de boel vernielen en niet kijken op een dood iemand, die komen niet uit Ondiep.”

Hij: „Die komen uit Betonbuurt, Schalkwijk, Kanaleneiland. Ze kunnen zich hier verschuilen en ze krijgen weinig commentaar, want er wonen hier veel oude mensen. En die zijn bang.”

Gelukkig is hij zelf, als oud-marinier, helemaal niet bang. „Als ze hier voor de deur staan, ga ik er gewoon op af.” Hij gaat staan, maakt zich breed, doet zijn kin omhoog. „Ik zeg heel rustig: hé jongens, hoe laat is het eigenlijk? Kijk, dat verwachten ze niet. Dan gaan ze weg. Ik heb in het buurthuis een cursus omgaan met de jeugd gevolgd, aangeboden door de gemeente. Maar daar leerde ik niks hè. Ik wist dat allemaal al.”

Die jongens van afgelopen zondag kwamen ook niet uit Ondiep, denkt hij. „In elk geval waren het Marokkanen.” Dat Rinie Mulder zich al tijden blind aan hen ergerde, dat begrijpt hij. Maar was Rinie Mulder nou maar rustig gebleven. Was hij maar niet net uit het café gekomen. Had hij maar geen stuk hout gepakt, of een mes, of wat het ook was, om op ze af te gaan. En was de politie maar niet meteen gekomen. De politie komt nóóit meteen. Meestal komt de politie helemaal níét, hoe vaak er ook gebeld wordt.

Maar deze keer dus wel. En dan komt er zo’n lafaard die meteen begint te schieten. Helemaal verkeerd natuurlijk. Hij, als oud-marinier, weet precies hoe het moet, dat schieten. Eerst in de lucht. Dan in het been. En dán pas in het hart.

Klote-politie. En dan hier de hele boel afsluiten. En verbaasd zijn dat FC Utrecht erop afkomt. Rinie Mulder was supporter van FC Utrecht, natuurlijk komen die er dan allemaal op af. En als die komen, ja, dan komt Amsterdam ook. En Den Haag, en Rotterdam.

Klote-gemeente. Ze willen de problemen in het wijk oplossen door de boel te slopen. Ja, daar hebben ze goed over nagedacht. Eerst alles laten verkrotten. Geen onderhoud, geen straatvegers, niks. Huizen verhuren aan Marokkanen en verslaafden en zwervers, net zo lang tot iedereen uit zichzelf weg wil. En dan dure flats neerzetten. Voor wie?

De voordeur gaat open, de dochter van Kees Diemer en zijn vrouw komt binnen. Ze woont een paar straten verderop. Ze vraagt of haar ouders meegaan naar de Monicakerk. Burgemeester Annie Brouwer komt praten met de buurtbewoners.

„Ik heb geen uitnodiging”, zegt Kees Diemer.

Dan vraagt ze of ze gezien hebben hoeveel jongens op brommers er al weer door het wijk rijden.

„Jaha”, zegt Kees Diemer. „Het begint weer. Ik voel het aankomen.”

Zijn vrouw: „De hekken gaan ook weer dicht.”

Hij: „Ergens vind ik het wel leuk.” Hij wrijft in zijn handen. „Spannend.”

Zijn vrouw: „Nee, het is niet leuk. De mensen zijn bang.”

Hij: „Ik heb gehoord dat de Marokkanen morgen de stille tocht gaan verstoren. En ik heb gehoord dat die van ons de kerk van de moslims in de fik gaan steken.”

De dochter: „Je hoort zo veel. Maandag zeiden de jongens hier dat alle Marokkanen eraan zouden gaan. Een uur later vochten ze samen tegen de politie.”

Hij: „Dat is logisch.”

Zijn vrouw: „Het lijkt wel oorlog.”

Hij: „Noem je dit oorlog? Als het oorlog was, dan stuurden ze een paar mariniers door het wijk. Gewoon erdoorheen, niks zeggen, knuppelen. Al die jongens die hier niet horen eruit knuppelen. Nooit meer last. Zo zou ik het doen. Maar dat durven ze niet hè.”

Buiten in de straat wordt een witte bus geparkeerd, United Broadcast Facilities staat er op de zijkant.

„Kijk, de televisie”, zegt Kees Diemer. „Het wordt weer spannend.” Hij gaat voor het raam staan. Dan draait hij zich om en zegt tegen zijn vrouw: „Zal ik hem in de fik steken?”

Op de stoep voor zijn huisje in de Larixstraat staat Rob Verburg te kijken naar de mensen die naar de Monicakerk gaan, achter de voetbalkooi op het Boerhaaveplein. Het is half vier, burgemeester Annie Brouwer kan elk moment komen. Rob Verburg gaat er niet heen, hij heeft ook geen uitnodiging. „Je moest je aanmelden”, zegt hij. „Hoe kon ik dat nou weten.”

Hij gaat naar binnen en zet een kopje thee. Zijn vrouw is nog op haar werk, ze zit in de thuiszorg. Zelf werkt hij niet meer, sinds hij een val van negen meter heeft gemaakt. Bovendien heeft hij suikerziekte. Hij was behanger, vanaf zijn tiende. Dertien kinderen hadden ze thuis en zijn vader was alcoholist, dus dan weet je het wel. Hij heeft het zijn moeder wel eens gevraagd: waarom dertien? Ze moest wel, had ze gezegd. Zijn vader trok zo haar broek van haar reet. En hield ze van haar kinderen? Was er misschien eentje die ze lief vond? Nee, had ze gezegd. Ze hield van niemand.

Was in die tijd de pil er maar geweest.

De voordeur gaat open, de buurvrouw komt binnen. Ze brengt de schaal terug die ze gisteren geleend had. Ze gaat nu snel boodschappen doen, zegt ze, want zo meteen gaan de hekken weer dicht. Dan komt Rob Verburgs vrouw binnen, Rita heet ze. Ze is eerder van haar werk weggegaan en ze heeft de boodschappen vast meegenomen. Michael, hun zoon van veertien, komt ook binnen. Hij zit in de eerste klas van het vmbo, hij wil timmerman worden. „Tweede nestje”, zegt Rob Verburg. Hij en zijn vrouw zijn allebei eerder getrouwd geweest. „’t Is een hartstikke lieve jongen.”

Michael knikt.

Rob Verburg vertelt over het kattekwaad dat hij zelf vroeger uithaalde, waarvoor hij soms op het politiebureau belandde. „Een fietsband leegprikken. Een ruitje ingooien. Meer was het niet.” Hij slaat zijn arm om Michael heen. „Hij gooit ook wel eens een ruitje in hoor. Maar bij hem is het ook niet meer.”

Rita: „Het verschil is alleen dat ze nu veel harder worden gestraft.”

„Veel harder”, zegt Rob Verburg. „Dat is het onrechtvaardige.”

Zij: „In december, Michael was nog maar dertien, hebben ze hem en nog zeven jongens drie dagen en twee nachten in de cel gestopt. Drie dagen en twee nachten! En waarvoor?”

Hij: „Omdat er ergens een autoruit was ingegaan.”

Zij: „We hebben de politie zelf binnengelaten. Die jongens bekenden meteen. En wij zeiden dat we onze verantwoordelijkheid zouden nemen.”

Hij: „Maar ze moesten toch mee. Helemaal naar Amersfoort. Michael werd gefouilleerd en alles.”

Michael: „Ze namen vingerafdrukken.”

Hij: „Alsof hij een crimineel was. Die jongens kwamen getraumatiseerd terug. Maar wij weten wel wat erachter zat. Er lopen hier in het wijk andere jongens rond, die wél crimineel zijn.”

Zij: „Jongens van buiten het wijk. Oudere jongens. Hoofdzakelijk allochtonen.”

Hij: „Maar die durven ze niet te pakken.”

Zij: „Dat zijn de jongens waar Rinie Mulder zich zo aan ergerde. Wij ergeren ons allemaal aan die jongens. Maar ze pakken ónze jongens. Onze kinderen moeten lijden onder het wangedrag van die anderen.”

De voordeur gaat weer open, de moeder van een andere buurvrouw komt binnen. Anita heet ze. Ze woont een paar straten verderop. Ze ploft in een stoel en ze zegt: „Ik ben zo moe, zo moe. Het lijkt hier wel oorlog. Nou gaan de hekken weer dicht. En waarom? Wat hebben wij gedaan?” Ze vertelt dat ze tot voor kort beheerder van de speeltuin was, elke dag was er rotzooi met de jongens uit Betondorp en Kanaleneiland. Dan belde ze de politie, maar denk je dat ze kwamen? „Ja, nu komen ze. Nu er een dooie gevallen is.”

Haar dochter komt ook binnen, met aan haar hand haar jongste kind, een jongetje van twee. Ze heet Karin. Zij zegt dat het in de buurt is misgegaan toen de gemeente met de nieuwbouwplannen begon. „Ze willen alles hier platgooien en tot die tijd doen ze hier niks meer.”

Rob Verburg: „Ze schilderen niet, ze vegen niet, niks niet. Ja, nu de burgemeester komt. Nu kan het ineens wel. Vanmorgen zijn hier alle straten geveegd. Ik zag dat ze de stoepen aan het repareren waren.”

Karin: „Dat zouden ze altijd moeten doen. En dan alle avonden een hek om het wijk, dan kunnen die jongens uit de andere buurten er niet meer in.”

Rob Verburg gaat staan en doet voor hoe het met Rinie Mulder gegaan moet zijn, vlak voordat hij stierf. „Hij staat te zwaaien naar die motoragent, hier, hier, hier. En dan voelt die agent zich bedreigd. Hij had toch weg kunnen rijden? Nee hoor. Hij begint te schieten. Recht in zijn hart.”

„In zijn hoofd”, zegt Michael.

„Nee”, zegt zijn vader. „In zijn hart.”

Michael: „Het was een Marokkaanse politieman.”

„Nee”, zegt Karin. „Dat is niet waar. Niemand weet dat. Hij had een helm op. Dat zeggen de mensen die hier haat willen zaaien. Mensen van buiten het wijk.”

Michael loopt naar buiten, hij gaat patat halen. „Heb je je ID-kaart bij je?”, roept zijn moeder. „Anders pakken ze je straks nog op.”

Rob Verburg: „Het lijkt wel de nazitijd. Daar lig ik de hele week al ’s nachts over te piekeren.”

Het is bijna vijf uur, de televisie gaat op TV Utrecht. Er wordt verslag gedaan van de bijeenkomst met burgemeester Annie Brouwer in de Monicakerk. Een van de afspraken is nu dat buurtbewoners voortaan anoniem de politie kunnen tippen over de hangjeugd. In de kamer wordt gelachen. Alsof dat helpt. Karin: „Ze moeten een avondklok instellen. Dat zeg ik. Om negen uur allemaal naar binnen en anders word je opgepakt.”

Rob Verburg: „Maar dan zeg ik: nazitijd.”

„Maar wat wil je dan?”, zegt Karin. „Dan blíjven die jongens hierheen komen.”

Het Journaal begint, er zijn filmbeelden van Annie Brouwer tussen buurtbewoners. Hé, moet je kijken, daar heb je dat vrouwtje van de overkant. Wat doet die daar nou? En kijk, dat is de neef van die man die hier op de hoek woont. En daar, kijk daar, daar loop ik!

Michael komt binnen met de patat, hij eet ze bij het aanrecht in de keuken op. Het zoontje van Karin krijgt er ook een paar. Daarna gaat hij weer naar buiten, voetballen. De moeder van Karin vraagt aan Karin wat zij vanavond gaat eten. „Andijvie of hutspot”, zegt ze.

„Wou ik ook doen”, zegt haar moeder.

„Kom je bij mij eten?”, vraagt Karin.

„Nee”, zegt haar moeder. „Je vader wil vanavond zijn hok niet meer uit.”

Een dag later, donderdag om vijf uur, zitten Rob Verburg en Rita samen televisie te kijken. Michael is in de voetbalkooi op het Boerhaaveplein. Verderop, bij de Thorbeckelaan, worden de eerste ME-bussen geparkeerd. Hier zal straks de stille tocht eindigen. Rob en Rita gaan meelopen. Uit respect, zeggen ze.

Kees Diemer en zijn vrouw lopen niet mee. Ze gaan kijken, door hun raam. „Zij durft niet zo goed”, zegt hij. „Zij denkt dat die jongens naar de kerk van de moslims gaan.” Zijn vrouw lacht een beetje. „Ik heb gehoord dat er zesduizend mensen komen”, zegt ze.

Het worden er tweeduizend en om half negen zijn ze allemaal weer weg. Rob Verburg en Rita kijken weer televisie, nu samen met Michael. De straten zijn afgesloten, bij alle hekken staan politieagenten. Buurtbewoners brengen hun bekertjes koffie en frisdrank. Buiten de hekken staan overal groepjes jongens, rokend, pratend. Sommigen maken een rondje op hun brommer, langs de bussen van de ME. Verder doen ze niks.