Bedreigde houttuinen

Arboreta zijn bomentuinen, waar biologen vroeger leerden hoe bomen heten. Dat leren ze niet meer. Maar arboreta blijven belangrijk als levende genenbanken. En ze zijn mooi. Marion de Boo

‘Dit vind ik zó’n lief winterbloeiertje. Ruik eens!”, zegt dr.ir. P.C. de Jong. We staan bij een kamperfoeliestruikje uit de Chinese Himalaya met tere, witte bloempjes. “Het grappige aan die winterbloeiers is dat ze in de bergen waar ze thuis horen helemaal niet middenin de winter bloeien, maar gewoon in het voorjaar”, zegt Piet de Jong. “Dat zie je ook bij de toverhazelaar. Blijkbaar vinden die winterbloeiers het in ons zeeklimaat nogal warm.”

Wandelend door het Von Gimborn Arboretum in Doorn heeft dendroloog en plantentaxonoom De Jong haast bij elke boom en elke struik een verhaal, van de mammoetboom tot de vleugelnoot, zijn favoriet. De oud-directeur van de Utrechtse Botanische Tuinen zet zich ook na zijn pensionering in voor het behoud van botanische collecties.

Dat valt niet mee. Vanaf de jaren zeventig verloren botanische tuinen en arboreta gaandeweg hun functie in het onderwijs. De Jong: “Vroeger hadden universiteiten een complete systematische tuin. Vooral biologen, maar ook studenten medicijnen, farmacie en diergeneeskunde en landbouwkunde moesten veel plantensoorten leren kennen. Maar toen dat taxonomieonderwijs werd afgestoten, verloren botanische tuinen die functie. Sindsdien is de plantenkennis van biologen hollend achteruitgegaan. In het tuinbouwonderwijs heeft plantenkennis ook geen prioriteit meer. Middelbare en hogere tuinbouwscholen moesten fuseren en verhuizen, maar dan verhuisde de schooltuin bijna nooit mee.”

Schoolklassen komen ook steeds minder in het arboretum op excursie, niet in de laatste plaats omdat docenten bang zijn door de mand vallen met hun gebrekkige plantenkennis. Ook bij gemeenten is de plantenkennis volgens De Jong verdwenen. “De groendienst valt tegenwoordig met de vuilnisdienst en de bestrating onder één manager. Het hoofd plantsoenendienst dat zelf naar de boomkweker ging om voor allerlei straten een passende beplanting uit te kiezen is met pensioen, het sortiment is verschraald. Dat is zo jammer. Wij hebben hier in het arboretum zulke schitterende magnolia’s staan die het ook in stadsparken prachtig zouden doen. De politiek maakt zich druk over het verdwijnen van de natuur. Maar de kennis over diezelfde natuur holt achteruit.”

inktfabrikant

Het Von Gimborn Arboretum is het levenswerk van zijn stichter, inktfabrikant Max von Gimborn. Oorspronkelijk afkomstig uit Emmerich bouwde hij in 1907 een inktfabriek bij Zevenaar. Van zijn vader, die apotheker was, had Max von Gimborn een grote botanische belangstelling geërfd. Hij hield vooral van coniferen. Die zaaide en stekte hijzelf. Dankzij zijn patenten op de inktfabricage was de ondernemer in goeden doen geraakt. Hij verkocht zijn bedrijf en kocht aan de Vossensteinsesteeg in Doorn, op de zanderige Utrechtse Heuvelrug, een geschikt terrein van in totaal 47 hectare.

Tuinarchitect Gerard Bleeker kreeg opdracht een park in Engelse landschapsstijl te ontwerpen, met een landhuis, grasvelden, vijvers, doorkijkjes en slingerende lanen. De aanleg ging nog in datzelfde jaar van start. Er werd met man en macht gewerkt, vijvers en sloten werden nog met de hand gegraven. Een deel van de collectie uit Zevenaar werd meeverhuisd. Na de beurskrach van 1929 was de grootindustrieel echter in één dag een stuk armer en uiteindelijk werd maar de helft van de beoogde 47 hectare beplant. Het geplande landhuis is er nooit gekomen.

Toch werd hier een collectie van uitzonderlijke betekenis bijeengebracht. Veel van de aanwezige bomen en struiken zijn door Von Gimborn zelf opgekweekt, uit zaden en stekjes die hij van over de hele wereld verzamelde. Boomkwekers toonden al snel interesse en brachten diverse cultivars in de handel.

Nadat Von Gimborn in 1964 op 92-jarige leeftijd was overleden, verkocht zijn weduwe het arboretum twee jaar later aan de Universiteit Utrecht, zodat de collecties behouden konden blijven. De tuinen zijn opengesteld voor publiek en trekken jaarlijks bijna 15.000 bezoekers, die elk € 2,50 betalen. In het voorjaar komen ze voor de vlammende kleuren van azalea’s en rododendrons, in de nazomer bloeien de heidestruiken en daarna zetten de vele esdoorns het park in herfstgloed.

“Maar met betalende bezoekers alleen kun je zo’n collectie nooit in stand houden”, betoogt De Jong. “We hebben rondwandelingen met of zonder gids, een schelpenpad voor blinden en slechtzienden, er komen schoolklassen langs. Toch zijn botanische tuinen nooit zo populair als dierentuinen – onze planten eten nu eenmaal geen pinda’s.”

Van de vier tuinlieden zitten er drie vlak voor hun pensioen – een VUT-regeling voor 59-plussers hebben ze aan zich voorbij laten gaan, want na hun vertrek stuurt de universiteit geen vervangers meer en er is nog zoveel werk te doen. Een arboretum vraagt veel meer onderhoud dan een park en voor verjonging van de vele unieke exemplaren is een eigen kwekerij noodzakelijk.

genenbank

Zijn levende collecties nog wel nodig? Je kunt planten toch net zo goed in een genenbank bewaren? “Genenbanken zijn van ongelooflijk strategisch belang”, verzekert De Jong. “In de VS wordt dat onderkend. Daar zitten de genenbanken in Fort Collins in atoomvrije bunkers. In de Nederlandse genenbanken werken anderhalve man en een paardenkop. En juist voor bomen en struiken blijven levende collecties nodig, want een boomkweker of een farmaceutisch onderzoeker wil tòch de complete boom zien. Als je die dan eerst weer uit de zaadvoorraad moet opkweken, moet je 40 jaar wachten. En lang niet alle boomzaden zijn goed te bewaren. Een eikel bijvoorbeeld moet je meteen weer zaaien.”

Toen taxol, uit de taxusstruik, in het nieuws kwam als anti-kankermedicijn, stond de farmaceutische industrie meteen op de stoep om het hele Von Gimborn Arboretum in rap tempo te screenen. Toen de voorjaarsallergie tegen berkenpollen een probleem bleek, kwamen ze weer langs om alle berken in de collectie te testen.

“Maar daarna waren ze weer weg”, zegt De Jong. “De farmaceutische industrie draagt niets bij aan het behoud van onze collecties. Nu de paardenkastanje in ons land door een bloedingziekte worden bedreigd, is de kastanjecollectie in het arboretum interessant omdat daar misschien resistente soorten bij zijn. Zo zijn er altijd actuele vragen.”

De universiteiten van Amsterdam, Groningen en Nijmegen hebben hun hortus inmiddels afgestoten. Die draaien nu voor een flink deel op vrijwilligers. Om tot taakverdeling tussen de overgebleven botanische tuinen te komen en het wetenschappelijk peil te verhogen is de Stichting Nationale Plantencollecties opgericht. Afgesproken werd dat Utrecht, Wageningen en Leiden als zwaartepunten overeind zouden blijven, aangezien bij die universiteiten naast botanische tuinen ook herbaria aanwezig waren. “Maar die herbaria worden binnen afzienbare tijd in het Nationaal Herbarium in Leiden ondergebracht”, zegt De Jong. “De deelnemende tuinen specialiseren zich in bepaalde collecties, maar de belangrijkste verzamelingen van houtige gewassen staan duidelijk onder druk.

verhuizen

Wageningen zit in nu zijn maag met de arboreta op de Wageningse Berg, zeker nu de meeste laboratoria en andere universiteitsgebouwen daar vandaan verhuizen naar de noordwestrand van de stad. De Universiteit Utrecht wil nu ook het Von Gimborn Arboretum kwijt. Dat gaat De Jong aan het hart. Hij heeft zich al 30 jaar voor het arboretum ingezet en delen van de collectie op internationaal niveau gebracht. “Inmiddels is de universiteit medegedeeld dat een burgercomité zich het lot van het arboretum aantrekt. Mogelijk komt er een stichting met kapitaal die het arboretum overneemt.”

De Jong: “Dit is niet alleen een mooi wandelpark, maar ook een levende genenbank. Wereldwijd holt de natuur achteruit. Het aantal bedreigde planten neemt schrikbarend toe. Onze plantentaxonomen waren altijd vooral gericht op de tropen, een stukje koloniale erfenis. Over de gematigde zones maakt men zich minder druk. Over de rampzalige ontbossing in een van oorsprong soortenrijk land als China hoor je weinig, net zo min als over de Siberische taiga, waar de privatisering hoogtij viert sinds de Sovjet-Unie is ingestort. En de Canadese houtkap mag er ook zijn. Daarom is behoud van collecties uit de gematigde streken van groot belang. En daarbij gaat het niet alleen om de planten, maar óók om de kennis. Nederland heeft in 1992 het biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro ondertekend, maar geeft daar nauwelijks invulling aan.”

Ondertekenaars van het Verdrag van Rio verplichten zich om bedreigde plantensoorten in hun botanische tuinen te bewaren en zich in te zetten voor mogelijke herintroductie van bedreigde soorten in de natuur. Sinds 2002 maakt de Global Strategy for Plant Conservation (GPSC) deel uit van het Biodiversiteitsverdrag. Voor botanische tuinen is een belangrijke rol weggelegd. De Jong: “De Nederlandse regering heeft goede sier gemaakt met de ondertekening van dat verdrag, maar laat vervolgens thuis de boel op zijn beloop. Botanische tuinen krijgen nauwelijks steun voor hun rol in het behoud van biodiversiteit. Het proces van afbouw, met name van de wetenschappelijke aspecten rond collectiebeheer, gaat onverminderd voort.”

Kennisuitwisseling is een belangrijke taak van botanische tuinen. Zelf is De Jong internationaal expert op het gebied van de esdoorn. “We hebben daarvoor een enorm netwerk van contacten opgebouwd. Samen met Harvard University scheppen we nu orde in de evolutie van de esdoorn – een zeer variabel en goed gedocumenteerd geslacht. Dit als voorbeeld van eigentijds taxonomisch onderzoek.” Het Von Gimborn Arboretum is houder van de nationale plantencollectie van esdoorns, berken en diverse andere plantengeslachten.

In totaal heeft het Von Gimborn Arboretum 7.500 gedocumenteerde items, behorende tot 5.000 verschillende taxa. De Jong betreurt het dat niemand in Nederland zich het lot van deze bomen blijkbaar aantrekt. “Engeland kent de National Trust, in Amerika zijn er veel particuliere fondsen, waarmee ook wetenschappelijk werk wordt gefinancierd. Nederland staat met lege handen.” Bij de totstandkoming van de Nationale Plantencollectie was ook de Biologische Raad van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen betrokken. Maar volgens De Jong is de rol van biologen in het debat marginaal. “We krijgen alleen morele steun van een deel van de sterk geslonken groep plantentaxonomen, die binnen afzienbare tijd alleen nog in het Nationale Herbarium in Leiden zullen werken.”