‘Actief opsporingsbeleid zal vervallen’

In Amsterdam vond deze week een conferentie plaats over oorlogskunst. Een van de discussiepunten was de deadline van 4 april, de laatste dag dat erfgenamen een claim kunnen indienen.

„Ze praten over deadlines, terwijl onze families werden uitgeroeid.” De heftige emotionele uitbarsting vond afgelopen dinsdag plaats tijdens een internationale conferentie over oorlogskunst in Amsterdam. Aan het woord was de Amerikaanse erfgename van Markus Mayer Rothstein, een in 1941 uit Nederland gevluchte Joodse bankier en kunstverzamelaar.

De erven Rothstein krijgen op 4 april uit handen van minister Plasterk (Cultuur) een zeventiende-eeuws schilderij van Jacob van Ruysdael terug dat decennialang op de Nederlandse ambassade in Washington hing. Die dag is ook de laatste datum waarop erfgenamen nog een claim bij de Nederlandse overheid kunnen indienen. Op de conferentie in Amsterdam ging het over die ‘deadline’, over de grenzen van herkomstonderzoek, en over de vraag wat er na de vierde april dient te gebeuren.

„Er heerst veel verwarring”, zegt Monica Dugot vanuit New York. Dugot is hoofd Restitutie en vice-president van Christie’s in New York. Zij was op de conferentie in Amsterdam. „Veel claimanten zijn zich niet eens bewust van het feit dát er een sluitingsdatum is. Bovendien bestaat er grote onduidelijkheid of er nog wel of niet geclaimed kan worden na 4 april.”

Op de website van het ministerie van OCW staat officieel van niet. Woordvoerder Bob van ’t Klooster van OC&W zegt: „We keren terug naar het restitutiebeleid van voor 2001, maar op het moment dat een claimer zich aandient, zullen we de morele koers die we nu varen, blijven varen.”

Dugot, die voordat ze bij Christie’s kwam de Amerikaanse regering adviseerde over restitutiezaken, vindt het nog „veel te vroeg” om over een sluitingsdatum voor claims te spreken. „Archieven gaan over de hele wereld open, nieuwe gegevens duiken op, er wordt druk gepubliceerd en gediscussieerd – het onderzoek naar claims en roofkunst is nog relatief nieuw en sterk in ontwikkeling.”

Nederland is het eerste land waar sprake is van een sluitingsdatum voor indieners van claims. In 2000 is in de Tsjechische Republiek zo’n ‘deadline’ ingesteld, maar die is ingetrokken. Ute Haug, herkomstonderzoekster bij de Hamburger Kunsthalle in Hamburg, vindt het in ieder geval voor Duitsland ‘te vroeg’ om van een sluitingsdatum te spreken. „Wij staan niet aan het eind, maar nog aan het begin van het herkomstonderzoek”, stelt zij vanuit Hamburg. In Duitsland is tot haar spijt nog steeds geen centraal onderzoeksbureau ingesteld, zoals in Nederland het Bureau Herkomst Gezocht dat is. „Onderzoek in Duitsland wordt bemoeilijkt door de wirwar van regels die staatsinstellingen en gemeentes erop nahouden. Bovendien is de financiële situatie van Duitse musea zo penibel, dat er nauwelijks geld is voor herkomstonderzoek.” Hau ziet het Bureau Herkomst Gezocht van Rudi Ekkart als voorbeeldig. Het bureau spoort erfgenamen op met de vraag om een claim in te dienen. Ekkart adviseert OCW ook over het beleid dat ná 4 april moet worden ontwikkeld.

De Restitutiecommissie, die in 2001 op advies van Ekkart is ingesteld en onder leiding van mr. B.J. Asscher claims beoordeelt, heeft nu nog ruim twintig zaken liggen. Ekkart schat dat daar tot 4 april nog zo’n vijfentwintig tot dertig claims bijkomen. De erven Gutmann en Goudstikker hebben een tweede claim ingediend, en de erfgenamen van Koenigs bereiden nieuwe claims voor. De Restitutiecommissie is in ieder geval nog tot eind 2010 actief.

Volgens Ekkart en Asscher hoeft er geen vrees te bestaan voor een scherpe cesuur op 4 april. „Nieuwe claims zullen zeker in behandeling worden genomen”, zegt Asscher. Ekkart is duidelijker. „Het pro-actieve opsporingsbeleid zal vervallen. We kunnen niet tot in lengte der dagen op zoek blijven naar mensen en adressen. Soms sporen we mensen op die in de vierde of vijfde graad verwant zijn en nooit hebben geweten dat hun vroegere familie kunst in huis had. Zij beschouwen de teruggave als een onverwachte erfenis.”

Toen Ekkart in 2000 de regering adviseerde om het beleid met betrekking tot restitutie van oorlogskunst te versoepelen, is altijd van tijdelijkheid uitgegaan. Met name de mogelijkheid om oude, afgesloten zaken weer ter heropenen, was een ingrijpende, tijdelijke verruiming van beleid. „Die afgedane zaken”, zegt Ekkart, „hebben we nu allemaal op een rijtje. Zaken waarover maar de geringste twijfel bestaat, meld ik aan in een pre-claim. Niemand zal later te horen krijgen dat het loket gesloten is.”