Via paalworm naar drukpers

In de prestigieuze reeks ‘Plaatsen van herinnering’ is nu het laatste deel verschenen. Het gaat het verst terug in de geschiedenis, maar heeft toch nog een hoog ‘eropuit’-gehalte.

Wim Blockmans en Herman Pleij (red.): Plaatsen van herinnering. Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm. Bert Bakker, 564 blz. € 39,95

Met het verschijnen, vorige week, van het eerste deel van de vierdelige Plaatsen van herinnering is de publicatie van de serie compleet. De drie chronologisch latere delen verschenen in 2005 en 2006. Dankzij dit eerste deel kan de eindbalans van het project worden opgemaakt.

Het was de historicus Pierre Nora die in de jaren tachtig in Frankrijk een serie opzette die Les lieux de mémoire heette en die als inspiratie diende voor de Nederlandse serie. De Franse serie vatte het begrip ‘plaats’ ruim op. Naast fysieke plekken rekenden Nora en de zijnen ook handelingen, symbolen, liedjes en personen tot ‘plaatsen’. De redacteuren van de Nederlandse serie kozen gelukkig voor het heldere richtsnoer van de geografie bij de keuze van 160 aanwijsbare plaatsen (40 per deel) waar geschiedenis werd gemaakt. Theo Uytenhaak reisde 15.000 kilometer om alle plaatsen fotografisch vast te leggen.

Plaatsen van herinnering is een geslaagde poging het tijdperk van anything goes en vrijblijvend postmodernisme af te sluiten. De redacteuren doen een geslaagde poging tot ordening en synthese en zij leggen zich niet neer bij de gedachte dat er populaire geschiedenis zou bestaan voor amateurs en geleerden maar onleesbare geschiedenis voor wetenschappers. Dat is winst. Of de boeken kunnen helpen bij de veel bediscussieerde bekommernissen over onze nationale identiteit betwijfel ik. Dat lijkt mij ook geen prioriteit voor historici.

Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm is het spannendste deel van de serie. In dit deel wordt de lezer langs plaatsen in het huidige België en Nederland gevoerd, terwijl de volgende delen zich, op een aantal uitzonderingen na, beperken tot het grondgebied van het huidige Nederland. De lezer reist van de hunebedden in Rolde naar de drukpersen van Plantijn in Antwerpen, van de Beeldenstorm in Steenvoorde naar de veldslag bij Staveren, van de St. Servaas in Maastricht naar het Sint-Janshospitaal in Brugge. Wie dit leest, kan veel mooie uitstapjes maken. Het boek is bovendien een tijdreis van ruim 4.500 jaar. Dat is 4.000 jaar meer dan in de volgende drie delen bij elkaar.

Karel de Grote

Een van de interessantste aspecten van deze Plaatsen van herinnering is de aandacht voor veranderende historische inzichten en voor ingrepen op de plaatsen van herinnering, soms leidend tot renovatie of nieuwbouw, soms tot radicale vernieling. De tijdreis bedraagt zo doende zelfs 5.000 jaar. Neem bijvoorbeeld de hunebedden die bij Martijn van den Sanden centraal staan. Veel hunebedden verging het slecht, door natuurlijke omstandigheden maar ook door menselijk ingrijpen. Karel de Grote gaf aan het einde van de 8ste eeuw opdracht om heidense monumenten zoals hunebedden te vernielen. Zulke zichtbare monumenten bemoeilijkten naar hij meende het werk van de christelijke missionarissen. In de praktijk viel de beeldenstorm van Karel de Grote waarschijnlijk nogal mee. In de 18de eeuw volgde een tweede beeldenstorm. Dit keer was de paalworm de oorzaak. Paalwormen vraten zich een weg door de houten schermen die de dijken beschermden tegen afkalving. Hout verving men door steen. Bij die ingreep kon men de stop- en dekstenen van de hunebedden goed gebruiken. Een opwekkend gevolg van die geschiedenis was de totstandkoming van een eerste monumentenwet. In 1734 nam het landschap Drenthe een resolutie aan ter bescherming van de hunebedden ‘als waardige monumenten en vanouds beroemde gedenktekenen’.

Honderd kilometer naar het zuiden, in Nijmegen, vond ruim zestig jaar later een andere beeldenstorm plaats die de burcht op het Valkhof trof. Sandra Langereis beschrijft de rijke historie van de heuvel direct aan de oever van de Waal. De Valkhofburcht was in de 17de en 18de eeuw de trots van Nijmegen. Men dacht dat de geschiedenis ervan rechtstreeks terugging tot de Romeinse tijd. De burcht zou gebouwd zijn door de met de Romeinen geallieerde Bataven. Aangezien de grondleggers van de ‘oude’ Republiek zich identificeerden met de Bataven, kreeg Nijmegen zo een ereplaats in het werk van 17de-eeuwse geschiedschrijvers.

Op 7 augustus 1795, in het stichtingsjaar van de revolutionaire Bataafse Republiek, stemde de eerste democratisch gekozen statenvergadering van Gelre voor afbraak van de burcht, ondanks het verzet van Nijmegen. Steden als Tiel en Zaltbommel hadden lang gezucht onder de onderdrukking van Nijmegen en zij hadden genoeg van de historische pretenties van de zogenaamde Rijksstad. Op twee kapellen na werd de burcht in stukken en brokken met pakschuiten over de Waal naar de Hollandse steden afgevoerd om daar tot metselspecie te worden vermalen. Tegenwoordig weten wij dat de heuvel van het Valkhof weliswaar enkele duizenden jaren gebruikt en bewoond is geweest, maar dat de Valkhofburcht ‘pas’ gebouwd werd in de 12de eeuw door Frederik I van Barbarossa. Onbedoeld hadden Tiel en Zaltbommel dus wel een beetje gelijk: de claim dat de Bataven de burcht bouwden, klopt niet.

Stuk voor stuk zijn dit fascinerende verhalen in een verzorgd boek. Door de gekozen benadering krijgt de lezer niet alleen de geschiedenis van 3000 voor Christus tot het jaar 1566 van de Beeldenstorm voorgeschoteld, maar ook het vervolg, tot de dag van vandaag. Interessant is hoe daarmee ook de problematiek van de hedendaagse herinneringscultuur, monumentenzorg en archeologie aan de orde komt. Zo vertelt Marco Mostert hoe de herinnering aan de in Dokkum vermoorde Bonifacius meer dan 1000 jaar later pas goed op gang kwam op de golven van de katholieke emancipatie. Helaas op de verkeerde plek. Onlangs kreeg Bonifatius een derde leven, nu onder druk van de commercie, met de leuze ‘Dokkum: ’n moordstad’.

Pal

Het kan niet anders of bij een generalistische serie als deze zijn kanttekeningen te plaatsen. Naast enkele archeologen en architectuurhistorici zijn het toch vooral historici en neerlandici die bijdragen leverden aan dit boek. Zij zijn opgevoed in een traditie van lezen, schrijven en vertellen. Met gebouwen, geografie of kunstwerken zijn zij veelal minder vertrouwd. Een bekende anekdote in de museumwereld betreft de historicus die een schilderij als aanleiding neemt voor een verhaal, er pal voor gaat staan en zijn verhaal afsteekt zonder ook maar een keer te verwijzen naar het schilderij achter hem. De ‘plaats’ is niet veel meer dan een opstapje voor een elders bedacht verhaal.

Het overkomt zelfs Van Oostrom twee keer, als hij een mooi verhaal over het Binnenhof afsteekt, dat een historisch feit op de verkeerde plek terechtkomt. Stadhouder Maurits, de bewoner van de Mauritstoren, woont bij hem in het Mauritshuis van Johan Maurits ‘de Braziliaan’, en de gebroeders De Witt, in werkelijkheid gelyncht tussen de Gevangenpoort en Johans huis aan de Kneuterdijk, worden bij hem op het Binnenhof omgebracht.

De schrijvers van Nederland van prehistorie tot Beeldenstorm doen een moedige poging het ‘lezende’ verleden achter zich te laten en dichtbij de fysieke plaatsen te komen, en bijvoorbeeld archeologisch onderzoek te benutten. Desondanks zijn zij met regelmaat gezwicht voor het vertellen van een belangrijk geacht verhaal dat zij wat losjes met een geografische plek verbinden. Wat mij betreft hadden juist die plekken met hun specifieke geschiedenissen voorrang moeten krijgen op het ‘grote, complete verhaal’. Het heeft er teveel de schijn van dat de redacteuren eerst een selectie maakten van de 160 belangrijkste momenten en verhalen om die vervolgens zo goed en zo kwaad mogelijk te koppelen aan 160 plaatsen. Dat verklaart waarom plaatsen van handeling tevoorschijn komen die als reisbestemming weinig historische sensatie zullen veroorzaken. Waarom zou iemand naar het Schakenbos bij Voorburg moeten gaan om de Romeinen te beleven als wij lezen dat het hier om een verzonnen plek gaat waar de bezoeker hoogstens een 18de-eeuwse buitenplaats ervaart? Wat heeft het voor zin de lezer op weg te sturen naar een verkeerd gelegde stoeptegel te Muiderberg omdat ergens in de buurt Floris V in 1296 de dood vond? Het veel betekenisvoller Muiderslot ligt om de hoek. Daar kunnen de torens beklommen worden en historische wapens bewonderd. Wie er op uit wil, zou ook gediend zijn geweest met nadrukkelijker aandacht voor historisch-geografisch markante zaken zoals de ontginning van het Utrechtse en Hollandse laagveen of de stadsaanleg van Elburg. Er had dus best iets meer vanuit betekenisvolle plaatsen gedacht mogen worden.

Het zijn kanttekeningen bij een indrukwekkende reeks, geschreven door specialisten die aangeven dat geschiedenis vooral betekenis krijgt als die gedeeld wordt met een zo groot mogelijk en serieus te nemen publiek.